1. Wat is woedūʾ (woezoe)?
Woedūʾ is de rituele reiniging die noodzakelijk is voor het verrichten van het gebed (namāz). Zonder woedūʾ is het gebed niet geldig. Het bestaat uit het wassen van de handen tot aan de polsen, het reinigen van mond en neus, het wassen van het gezicht en de armen, het bevochtigen van het hoofd en oren, en het wassen van de voeten tot aan de enkels.
2. Hoe verricht je woedūʾ?
- Voorbereiding
- Ga op een schone, verhoogde plaats zitten.
- Zorg dat het water vers, schoon en ongebruikt is — kleur, geur en smaak moeten zuiver zijn.
- Richt je gezicht naar de Ka’aba en spreek de intentie uit voor woedūʾ.
- Begin met: Bismillāh ir-Raḥmān ir-Raḥīm.
- Stappen van woedūʾ
- Was beide handen tot aan de polsen driemaal, wrijf de vingers over elkaar.
- Reinig de mond met de rechterhand (bij voorkeur met een miswāk of vinger), gorgel driemaal (niet tijdens vasten).
- Reinig de neusgaten met de linkerhand, spoel driemaal met de rechterhand.
- Was het gezicht van voorhoofd tot kin, van oor tot oor, driemaal.
- Was de rechterarm tot boven de elleboog, daarna de linkerarm, driemaal.
- Strijk met natte handen over het hoofd (masḥ), reinig de oren met wijsvingers (binnenkant) en duimen (buitenkant), strijk over de nek en hals.
- Was de voeten tot boven de enkels, eerst rechts dan links, driemaal, inclusief tussen de tenen.
3. Hoe verricht je masḥ (het strijken over het hoofd)?
- Sluit de wijsvingers en duimen op elkaar.
- Strijk met de overige drie vingers van beide handen over het hoofd.
- Draai de handen en strijk met de bovenkant langs de hals en zijkanten van de nek.
- Reinig de oren: wijsvingers aan de binnenkant, duimen aan de buitenkant.
- Drink eventueel een slokje van het resterende water (niet verplicht).
4. Welke du’ā (smeekbede) wordt na woedūʾ opgezegd?
Reciteer: Allāhumma-jʿalnī min at-tawwābīn wa-jʿalnī min al-muṭahhirīn
→ O Allāh! Maak mij tot één van degenen die vergiffenis vragen en tot één van degenen die rein zijn.
Daarna:
- Hef het hoofd naar de hemel.
- Lees de Kalimah Shahādah: Ash-hadu an lā ilāha illAllāh wa ash-hadu anna Mohammedan ʿabduhū wa Rasūluh.
- Reciteer hoofdstuk Innā anzalnā (Surah al-Qadr, hoofdstuk 97) uit de Heilige Qur’ān.