1. Er is géén god dan Allāh. Hij is Eén. Alleen Allāh verdient aanbidding. Hij hoeft geen rekening te houden met anderen. Allāh is van niemand afhankelijk, terwijl alles wat bestaat afhankelijk is van Hem.
2. Wij erkennen alle profeten die door Allāh naar de mensheid zijn gezonden om hen te leiden op het Rechte Pad en het goede voorbeeld te geven. Iedere moslim is verplicht de profeten te eerbiedigen, te accepteren en te beseffen dat zij Allāh’s eerbiedwaardige Boodschappers en mensen zijn. Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met Hem) is de leider van alle profeten en de laatste profeet.
3. Allāh heeft aan vele profeten Ṣaḥīfa (berichten) en Heilige Boeken gezonden. Al deze Geschriften berusten op de Waarheid, namelijk op de Woorden van Allāh. Wij dienen te geloven in alles wat Allāh heeft geopenbaard. Van deze Boeken is de Heilige Qur’ān gezonden aan de meest gewichtige Profeet Mohammed ﷺ. Allāh Zelf waakt over de Heilige Qur’ān.
4. Engelen zijn door Allāh uit licht geschapen. Zij zijn noch man noch vrouw. Zij vormen Allāh’s volmaakte en gehoorzame schepping en voeren uitsluitend uit wat Allāh hen opdraagt. Hun bezigheid is het aanbidden van Allāh. Djinns zijn eveneens door Allāh geschapen, uit rookloos vuur. Djinns eten, drinken, leven en sterven net als mensen. Onder de djinns zijn zowel moslims als kāfir (ongelovigen), goeden en zondaren. De slechte djinns worden Satan genoemd.
5. Zoals de mens geboren wordt, sterft en tot aarde terugkeert, zal op een dag alles — de kosmos, engelen, bergen, dieren, mensen, aarde, hemel en al het bestaande — ophouden te bestaan. Alleen Allāh Ta’ālā zal blijven bestaan. De dag waarop dit gebeurt noemen wij Qiyāmah (de Dag des Oordeels). Daarna zal Allāh alles doen herleven en zullen de doden uit hun graven opstaan. Vervolgens wordt iedereen verzameld op een groot terrein, Ḥaṣar ke Maidan (het Hof van Allāh). Daar zal de Mīzān (weegschaal) verschijnen, waarmee de daden van ieder mens — moslim en ongelovige — uit het wereldse leven worden gewogen. Afhankelijk van hun religieuze verdiensten zullen mensen beloond of gestraft worden. Goede moslims zullen Jannat (het Paradijs) binnengaan. Slechte mensen en ongelovigen zullen verbannen worden naar de Dozag (Hel), ook wel Jahannam genoemd.
6. Boven de Hel hangt een brug die Sirāt wordt genoemd. Deze brug is dunner dan een haar en scherper dan een scheermes. Iedereen die naar het Paradijs gaat, zal deze brug moeten oversteken. Alleen deze brug leidt naar het Paradijs.
7. Alles wat op aarde heeft plaatsgevonden, nog zal plaatsvinden, en alle handelingen die mensen verrichten of nog zullen verrichten, zijn bij Allāh bekend. Al deze handelingen zijn door Allāh opgetekend. Wat Allāh heeft vastgelegd, zal geschieden. Hierin wordt op geen enkele wijze afgeweken. Dit noemen wij Taqdīr (het Levenslot).