Wat is de definitie van makrūh?

Makrūh (afkeurenswaardig, ontmoedigd) verwijst naar handelingen die in de Sharīʿah religieus onaanvaardbaar zijn en die men beter achterwege laat dan verricht. Het zijn handelingen waarvan de Sharīʿah wil dat men ermee stopt, maar die niet de volledige status van ḥarām hebben. Volgens de anafī‑school is makrūh verdeeld in twee categorieën:

  1. Makrūh‑e‑Tarīmī (مكروه تحريمي)
  • Een handeling die zwaar afkeurenswaardig is.
  • Het staat dicht bij arām.
  • Degene die het verricht is zondig.
  • Het vermijden ervan is verplicht.
  • Het voortdurend verrichten ervan kan leiden tot ernstige spirituele schade.
  1. Makrūh‑e‑Tanzīhī (مكروه تنزيهي)
  • Een handeling die licht afkeurenswaardig is.
  • Het staat dichter bij mubā (toegestaan) dan bij ḥarām.
  • Er is geen straf beloofd voor degene die het verricht.
  • Maar degene die het vermijdt, krijgt beloning.
  • Het verrichten ervan is niet zondig, maar wel tegen de etiquette van de dīn.

Taalbetekenis van makrūh

Het Arabische woord makrūh betekent: ontmoedigd, afkeurenswaardig, iets waar men een afkeer van heeft. In bredere religieuze context wordt het woord soms gebruikt voor zaken die schadelijk zijn voor lichaam, geest of ziel, zoals bepaalde voedingsmiddelen, dranken of rookwaren — maar dit is niet de technische fiqh‑definitie. De fiqh‑betekenis is strikt juridisch: een handeling die de Sharīʿah afkeurt.

Vraag gesteld aan Ālāazrat op 4 Rabīʿ al‑Ākhir 1320 Hijrī: of het makrūh of makrūh‑e‑tarīmī is om tijdens de namāz een politie‑uniform te dragen, en of het toegestaan is om een dhotī (kleding van de kuffār) te dragen tijdens de namāz.

Beantwoording in Ahkām-e-Shari’ah door Imām-e-Ahle Sunnah Alahazrat Imām Ahmad Raza Khan al-Qādri (radi-Allāhu ‘Anhu)

Het uitvoeren van de namāz in het genoemde uniform is makrūh, vooral wanneer het de voorgeschreven manier van sajdah belemmert. In de fatwā van Imām Qāḍī Khan staat: “Als een kleermaker gevraagd wordt een soort kleding te naaien die behoort tot de kleding van de fāsiq (openlijke overtreders), en hij weet dat hij hiervoor goed betaald zal worden, dan is het mustaḥabb voor hem om zo’n opdracht niet aan te nemen, omdat het uitvoeren van zo’n taak niet anders is dan helpen bij zonde.” Het is eveneens makrūh om de namāz te verrichten terwijl men een dhotī draagt. Zelfs als het niet specifiek de kleding van hindoes of andere niet‑moslims zou zijn, dan nog is het naar achteren vouwen van de kleding en het instoppen aan de rugzijde een handeling die de namāz makrūh maakt. De Profeet ﷺ heeft ons verboden onze haren op te rollen en onze kleding te vouwen. Als men de doek niet naar achteren trekt maar deze gewoon aan de voorkant laat hangen, dan wordt het beschouwd als een tahband (middeldoek) en daar is geen bezwaar tegen; het is zelfs sunnah. Allāh Ta’ālā weet het beter.

Op 7 Rabīʿ al‑Ākhir 1320 Hijrī werd aan Ālāḥazrat een vraag gesteld over iemand die opzettelijk de niyyāh in de namāz vergeet.

“Een persoon stond op om de ẓuhr‑ṣalāh te bidden en maakte na het lezen van de vier sunnat opnieuw opzettelijk de niyyāh voor vier sunnat, terwijl hij eigenlijk de vier farḍ moest bidden. Na het voltooien van twee rakʿāt sunnat besefte hij dat hij farḍ had moeten bidden. Hij maakte toen in zijn hart de intentie: “Ik verricht farḍ.” Hij beschouwde de eerste twee rakʿāt als per ongeluk gelezen sunnat en reciteerde in de laatste twee rakʿāt alleen Surah al‑Fātiḥah, met de intentie dat het nu farḍ is. In dit geval wordt de namāz noch als farḍ noch als sunnat beschouwd.” 

Ālāḥazrat: Het is geen farḍ, omdat hij in de eerste twee rakʿāt geen farḍ‑intentie had gemaakt en er volgens Durr‑e‑Mukhtār geen basis bestaat voor een achteraf gemaakte intentie. Als hij in de derde rakʿah niet de farḍ‑intentie maakte tijdens de eerste takbīr, dan is deze intentie zinloos. Als hij op dat moment wel de intentie had uitgesproken, dan zou hij van zijn eerste intentie naar een andere namāz zijn overgestapt, wat de eerste namāz ongeldig maakt. In Durr‑e‑Mukhtār staat: “De namāz wordt ongeldig door in dezelfde namāz over te gaan naar een andere niyyāh, die in strijd is met de eerste.” In Shāmī wordt vermeld dat dit is alsof iemand tijdens de takbīr van plan is de ene namāz te verlaten en een andere te beginnen. De auteur van Nahr geeft het voorbeeld van iemand die één rakʿah van ẓuhr heeft gebeden en dan plotseling met ʿAṣr begint, of iemand die tijdens een nafl‑gebed plotseling de takbīr voor een andere namāz zegt. Volgens de Shaikhayn begint hij, als hij Ṣāḥib‑e‑Tartīb is, nafl; volgens Imām Muhammad is er verschil van mening of de namāz überhaupt plaatsvindt. De uitkomst is dat de verrichte rakʿāt als nafl worden beschouwd. Allāh Ta’ālā weet het beter.

Een moslim bidt vijfmaal per etmaal. Deze gebeden zijn door Allāh in de Heilige Qurʾān verplicht gesteld en door de Profeet Mohammed ﷺ uitgelegd in de Aḥādīth. De vijf verplichte gebeden zijn: fajr (voor de dageraad), ẓuhr (ongeveer een uur na het bereiken van de hoogste zonnestand), ʿAṣr (ongeveer twee uur voor zonsondergang in het laagseizoen en 2,5 uur ervoor in het hoogseizoen), maghrib (direct na zonsondergang) en ʿIshāʾ (ruim twee uur na zonsondergang). Kinderen moeten vanaf zeven jaar leren bidden en vanaf tien jaar verplicht bidden. Rond middernacht begint het tahajjud‑gebed, dat niet verplicht is maar door velen wordt verricht voor spirituele vooruitgang. Tijdens het gebed richt de moslim zich naar de Kaʿaba in Mekka, het centrum van devotie.

Zaken die namāz makrūh maken

Veel moslims verrichten de namāz, de vijf dagelijkse verplichte gebeden, maar zijn zich niet bewust van de kwaliteit van hun gebed. Helaas zie ik dat moslims, vooral jongeren, handelingen verrichten die hun namāz ongeldig maken. Daarom heb ik dit boek geschreven, waarbij ik de meeste informatie heb vertaald uit Durr‑ul‑Mukhtār, de toelichting Radd‑ul‑Muḥtār en andere bronnen. Alles wat in dit boek staat, is van toepassing binnen de Ḥanafī‑madhhab. Radd al‑Muḥtār is een Ḥāshiyah (annotatie‑commentaar) op het werk van ʿAlā’ al‑Dīn al‑Ḥaṣkafī, Durr al‑Mukhtār fī Sharḥ Tanwīr al‑Absār. Het wordt algemeen beschouwd als de centrale referentie voor fatwa binnen de Ḥanafī‑school van soennitische jurisprudentie. Geleerden van het Indiase subcontinent verwijzen vaak naar Ibn ʿĀbidīn als “al‑Shāmī” en naar deze Ḥāshiyah als “al‑Shāmiyyah” of “Fatāwā Shāmī”. Dit omvangrijke werk is in meerdere talen vertaald, waaronder Turks en Urdu. De Arabische editie omvat acht delen en behandelt een breed scala aan onderwerpen binnen het islamitische recht, waaronder de vijf zuilen van de islam, huwelijk, echtscheiding, handel, jihād, erfenis en andere aspecten van het moslimleven.

De makrūh‑zaken van de namāz zijn van twee soorten. Wanneer alleen het woord makrūh wordt gebruikt, wordt daarmee makrūh taḥrīmī bedoeld, een verbod dat is vastgesteld door dalāʾil (bewijs) of zann (gevolgtrekking). Een handeling waarvoor geen expliciet verbod of getuigenis bestaat, maar die toch ongepast is om te verrichten, wordt tanzīhī makrūh genoemd. Het is makrūh taḥrīmī om de wājib en de muʾakkadah‑sunnah niet toe te passen, en tanzīhī makrūh om de niet‑muʾakkadah sunnah in de namāz te laten.

  • Tanzīhī makrūh ligt dichter bij ḥalāl, terwijl
  • makrūh taḥrīmī dichter bij ḥarām ligt.

Hoewel een namāz die met makrūh‑handelingen wordt verricht ṣaḥīḥ (geldig) is, zal deze niet maqbool (geaccepteerd) zijn, wat betekent dat het gebed niet de beloofde zegeningen zal opleveren.

De onderstaande makrūh zijn in namāz op zowel de man als de vrouw van toepassing.

  1. De onderstaande makrūh‑zaken in de namāz zijn zowel op mannen als vrouwen van toepassing. Het is makrūh om een jas over de schouders te draperen in plaats van deze normaal te dragen, al is het niet makrūh om de voorkant van een mantel zonder knopen open te laten.
  2. Tijdens de sajdah is het makrūh om rokken of broekspijpen op te trekken of op te rollen. Ook is het makrūh om de namāz te beginnen met opgerolde mouwen of rokken. Wanneer iemand in haast wudu verricht om de Imām te volgen en daardoor de mouwen opgerold laat, moet hij deze tijdens de namāz langzaam uitrollen. Als het hoofddeksel valt, is het aanbevolen om het na de sajdah weer op te zetten.
  3. Het is makrūh om de namāz te beginnen met korte mouwen die slechts tot de ellebogen reiken, met een flanellen hemd of met een korte broek die net onder de knieën valt. Het is onjuist om te zeggen dat een overhemd met opgerolde lange mouwen makrūh is, maar een shirt met korte mouwen niet. Fiqh‑boeken verwijzen expliciet naar opgerolde rokken en mouwen. In Niʿmat‑e‑Islām staat dat het makrūh is om de namāz met blote armen te beginnen. Ook Maʿārif‑at‑Namā vermeldt dat blote armen makrūh zijn, en dat mouwen boven de ellebogen nog erger zijn. Als iemand tijdens de namāz zijn broek of mouwen oprolt, wordt zijn namāz ongeldig.
  4. Nutteloze bewegingen, zoals spelen met kleding, zijn makrūh. Nuttige bewegingen schaden de namāz niet, zoals het afvegen van zweet van het voorhoofd. Wanneer kleding aan de huid kleeft, is het niet makrūh om deze los te trekken zolang de vorm van de awrād niet zichtbaar wordt. Het afschudden van stof is makrūh. Een ḥadīth verbiedt nutteloze bewegingen in de namāz en luid gelach op een begraafplaats. Krabben is niet nutteloos, maar drie handbewegingen binnen één rukn (rakʿah) maken de namāz ongeldig.
  5. Het is makrūh om werkkleding te dragen die men niet zou dragen in aanwezigheid van superieuren, tenzij men geen andere kleding heeft. Schone pyjama’s of nachtkleding zijn niet makrūh.
  6. Het is makrūh om iets in de mond te hebben dat correcte recitatie verhindert; als correcte uitspraak onmogelijk wordt, is de namāz ongeldig.
  7. Het onbedekt laten van het hoofd uit onwetendheid of doordat het hoofddeksel wegglijdt is makrūh, maar wie het hoofd bewust onbedekt laat uit minachting voor de namāz wordt kāfir. Als het hoofddeksel valt, is het aanbevolen dit in één beweging terug te zetten. Het is makrūh om het hoofddeksel af te zetten vanwege warmte. Hoofddeksels van elke kleur zijn toegestaan; het dragen van een zwarte hoofdbedekking is sunnah.
  8. De Profeet ﷺ en de Sahāba verrichtten de namāz met hun naʿls (leren sandalen). In Targhīb‑us‑Ṣalāt staat dat iemand die op blote voeten zit zijn rechterhand moet gebruiken om de voetzool te bedekken, omdat het tonen van de voetzolen aan anderen onsmakelijk is. Sommige geleerden zeggen dat men de voet niet moet bedekken omdat de handen op de dijen moeten rusten. Als beiden volgens de sunnah zitten, ontstaat er geen slechte etiquette.
  9. Volgens Halab‑e‑Kabīr is het makrūh om de handen niet in de sunnah‑positie te houden tijdens staan, rukūʿ, sajdah en zitten. Daarom is het makrūh voor mannen om in de sajdah hun voeten met de hand te bedekken. Bahjat‑ul‑Fatāwā vermeldt geen tegenbewijs voor deze fatwā. Ibn ʿĀbidīn schrijft dat het beter is om met naʿls te bidden dan op blote voeten, en dat dit afwijkt van de Joden, zoals een ḥadīth vermeldt.
  10. Wanneer schoenen najīs zijn, mag men de moskee niet betreden. Men kan sokken dragen om de sunnah te vervullen. Wie geen schone sokken heeft, kan bidden met een mantel die de hielen bedekt. In Halabī, Bāriqah en adīqah staat dat er veel zegeningen zijn in het bidden met bedekte voeten. Het is niet toegestaan om met blote hoofd en voeten te bidden, om de sajdah op een verhoogde plek te doen of om anderen te dwingen op een manier te bidden die lijkt op niet‑moslims. Wie de islamitische manieren afkeurt, wordt ongelovig.
  11. Het is makrūh om te beginnen met bidden wanneer men dringend moet plassen, ontlasten of wind laten. Als dit tijdens de namāz gebeurt, moet men de namāz verbreken. Het is beter de jamā’at te missen dan makrūh te bidden. Als de tijd bijna voorbij is of men de janāzah zou missen, is het niet makrūh om niet te breken.
  12. Voor mannen is het makrūh om te bidden met het haar gebonden, in een knoop, om het hoofd gewikkeld of bovenop vastgemaakt. Doet men dit tijdens de namāz, dan wordt de namāz ongeldig. Tijdens de ḥajj wordt met onbedekt hoofd gebeden.
  13. Het wegvegen van stenen of grond op de plaats van sajdah is makrūh, behalve wanneer het hindert; dan mag het met één beweging. Bij het aansluiten in een ṣaff is het makrūh om vingers te kraken of in elkaar te haken. Het is makrūh om de hand op de heup te zetten. Het is makrūh om het gezicht te draaien en tanzīhī makrūh om met de ogen rond te kijken; als de borst van de Qiblah afdraait, is de namāz ongeldig.
  14. In de tashahhud is het makrūh om als een hond te zitten. In de sajdah is het makrūh voor mannen om de onderarmen op de grond te leggen; vrouwen moeten dat juist wel doen.
  15. Het is makrūh om richting iemands gezicht te bidden, zelfs op afstand; richting iemands rug is niet makrūh.
  16. Het is makrūh om een groet te beantwoorden met hand of hoofd, maar niet om met een teken het aantal rakʿāt aan te geven. Het verlaten van de plaats maakt de namāz ongeldig.
  17. Geeuwen is makrūh; men moet de onderlip tussen de tanden klemmen of de mond bedekken. Ogen sluiten is tanzīhī makrūh, behalve bij afleiding.
  18. Het is makrūh als de Imām in de miḥrāb staat, tenzij zijn voeten buiten de nis staan. Het is tanzīhī makrūh om op een verhoogde plaats te bidden of op een lagere plaats te beginnen.
  19. Het is makrūh om in de achterste ṣaff te bidden terwijl er ruimte vooraan is.
  20. Het is makrūh taḥrīmī om te bidden in kleding met afbeeldingen van levende wezens. Foto’s op verachte voorwerpen zoals zakdoeken of munten zijn toegestaan. Het is ḥarām om foto’s van levende wezens te tekenen of te maken. Het is makrūh taḥrīmī om te bidden op een gebedskleed met tekst of afbeeldingen van heilige plaatsen.
  21. Foto’s die nuttig zijn voor wetenschap zijn toegestaan; schadelijke afbeeldingen zijn verboden. Het is makrūh om te bidden op plaatsen met afbeeldingen van levende wezens of symbolen van andere religies.
  22. Het is tanzīhī makrūh om āyāt of tasbīḥ met de hand te tellen tijdens de namāz.
  23. Het doden van een slang of schorpioen die gevaarlijk is, is toegestaan. Een witte slang die recht kruipt is een djinn; men moet hem eerst waarschuwen, behalve tijdens de namāz.
  24. Het is niet makrūh om te bidden achter zittende of staande mensen, zelfs als zij praten, maar wel makrūh om voor hun gezicht te bidden.
  25. Het is niet makrūh om te bidden voor de Qurʾān, een zwaard, een lamp of een slapende persoon.
  26. Het is makrūh taḥrīmī om gewikkeld in een handdoek te bidden, of met een tulband op een kaal hoofd.
  27. Het is makrūh taḥrīmī om de mond en neus te bedekken. Het dragen van maskers, handschoenen of brillen die de sajdah verhinderen is niet toegestaan zonder noodzaak.
  28. Het is makrūh om zonder noodzaak slijm te spugen. Amal‑e‑qalīl is makrūh; drie bewegingen maken de namāz ongeldig. Het is makrūh om sunnah‑handelingen weg te laten. Muʾakkadah‑sunnah weglaten is makrūh taḥrīmī; niet‑muʾakkadah weglaten is tanzīhī makrū Mustaḥabb weglaten is khilāf‑e‑awlā.
  29. Het is makrūh om zonder noodzaak met een kind in de armen te bidden.
  30. Het is makrūh om te bidden voor afleidende zaken zoals versieringen, toneelstukken, muziekinstrumenten of voedsel waar men naar verlangt.
  31. Het is makrūh om schoenen achter zich te laten.
  32. Leunen tegen een muur tijdens farḍ is makrūh zonder noodzaak.
  33. Het is makrūh om de handen op te heffen bij het buigen of oprichten uit rukūʿ.
  34. Het is makrūh om de qirāʾah te voltooien na het buigen.
  35. Het is makrūh om het hoofd te bewegen vóór de Imā
  36. Het is makrūh om te bidden op najīs‑plaatsen zoals begraafplaatsen, badhuizen of kerken, tenzij deze zijn gereinigd. Bidden voor een graf is makrūh. Een ḥadīth zegt: “Vloek over degenen die op een graf bidden.” Bidden op delen van een begraafplaats zonder graven is niet makrūh. Het veranderen van graven in moskeeën is verboden. Bidden nabij een Mazār is niet schadelijk zolang men niet de walī aanbidt. Het is makrūh om te bidden voor een graf zonder gordijn. Met een gordijn is het niet makrūh.
  37. Het is tanzīhī makrūh om niet volgens de sunnah te zitten in de tashahhud.
  38. Het is tanzīhī makrūh om in de tweede rakʿah dezelfde āyah te reciteren als in de eerste; een āyah eerder reciteren is makrūh taḥrīmī. In Targhīb‑us‑Ṣalāt staat dat het makrūh is om niet direct op te staan voor de laatste sunnah na de farḍ.