Er zijn binnen de Ahl al‑Sunnah twee soorten Imām
- Imām Kubrā – de Imām van een natie (meer dan 100.000 moslims).
- Imām Sughrā – de Imām van een moskee of namāz‑gemeenschap.
Een Imām dient een voorbeeldig persoon te zijn: vrij van fraude, leugens, bedrog en andere negatieve eigenschappen, omdat deze volgens de ahadīth behoren tot de eigenschappen van de Hel. Daarnaast moet de Imām een soenniet zijn en veel kennis bezitten van de Heilige Qur’ān en de Qur’ān‑wetenschappen.
Andere eigenschappen van de Imām
- De Imām moet een soennitische moslim zijn, een man, gezond van verstand en lichaam, volwassen, iemand die de regels van de namāz goed kent en geen maʿzūr (iemand met een voortdurende Sharʿī‑excuseerbare aandoening). Als één van deze zes eigenschappen niet in een Imām aanwezig is, dan is de namāz achter hem nog steeds geldig.
- Een maʿzūr kan Imām zijn voor een muqtadī (volger) die dezelfde aandoening heeft of een ernstigere vorm daarvan. Als echter de Imām en de muqtadī twee verschillende soorten aandoeningen hebben — bijvoorbeeld de één lijdt aan het onwillekeurig laten ontsnappen van wind, en de ander aan druppels urineverlies — dan kunnen zij niet elkaars Imām zijn. ʿĀlamgīrī, Radd al‑Muḥtār.
- Een persoon die tayammum heeft verricht, kan Imām zijn voor iemand die wuḍūʾ’ heeft. Hidāyah, enz.
- Een persoon die masḥ (over de leren sokken) heeft verricht, kan Imām zijn voor iemand die zijn voeten heeft gewassen. Hidāyah, enz.
- Een persoon die staand bidt, kan muqtadī zijn van iemand die zittend bidt. Hidāyah.
- Als zowel de Imām als de muqtadī dezelfde handelingen verrichten in de namāz, dan kunnen zij elkaar volgen. Hidāyah.
- Een (half)naakte persoon kan geen Imām zijn voor iemand die zijn lichaam bedekt heeft. Hidāyah.
Jamaat (congregatie)
Er is veel nadruk gelegd op Jamaat (het gezamenlijk verrichten van de namāz), en het brengt grote beloningen met zich mee. Iemand die de namāz in Jamaat verricht, krijgt 27 keer meer beloning dan iemand die de namāz alleen verricht.
Vrouwen mogen geen enkele Jamaat bijwonen — niet voor de dag‑ of nachtgebeden, noch voor Jumuʿah of ʿĪd, ongeacht of zij jong of oud zijn. Dezelfde regel geldt voor vrouwen die lessen of colleges bijwonen in een moskee. Kortom: het bijwonen van Jamaat is voor vrouwen niet toegestaan. Durr‑e‑Mukhtār, Bahār‑e‑Sharīʿat.
Verschillen tussen man en vrouw in de namāz
Man
- Blote handen worden tot aan de oren geheven.
- De handen worden onder de navel op elkaar gelegd.
- De rechterhand pakt de linkerhand vast.
- In roekoe buigt de man ver naar voren totdat rug en hoofd horizontaal één rechte lijn vormen.
- In roekoe worden de knieën vastgehouden met gespreide vingers.
- In sajdah worden de armen wijd van het lichaam gehouden en de dijbenen staan recht.
- In sajdah worden de ellebogen niet op de grond gelegd.
- In al‑Taḥiyyāt staat de rechtervoet rechtop en zit men op de linkervoet.
Vrouw
- De handen worden niet bloot tot aan de schouders geheven.
- De handen worden op de borstkas op elkaar gelegd.
- De rechterhand wordt op de linkerhand gelegd, maar niet vastgepakt.
- In roekoe buigt de vrouw slechts zover dat de handen de knieën bereiken.
- In roekoe worden de handen zonder gespreide vingers op de knieën gelegd.
- In sajdah worden de armen dicht tegen het lichaam gehouden en niet wijd.
- In sajdah worden de ellebogen op de grond gelegd.
- In al‑Taḥiyyāt worden beide voeten liggend naar rechts geplaatst en zit zij op haar heup.
- De qirā’ah wordt altijd zacht verricht, zodat alleen zijzelf het kan horen.
Jamaat
Jamaat is wājib voor mannen. Het ook maar één keer zonder geldige reden missen is een zonde, en wie er een gewoonte van maakt om Jamaat te missen, wordt beschouwd als een fāsiq (overtreder). De getuigenverklaring van zo iemand wordt niet aanvaard.
Voorwaarden voor Jamā’at:
- Voor Jumuʿah (vrijdaggebed) en de ʿĪd‑gebeden is jamā’at een voorwaarde.
Zonder jamā’at kunnen deze gebeden niet worden verricht. - De Tarāwīḥ‑namāz is Sunnat‑e‑Kifāyah. Dit betekent dat wanneer een aantal moslims in een woongebied eraan deelneemt, de rest niet verantwoordelijk wordt gehouden. Als echter niemand in dat gebied Tarāwīḥ verricht, dan draagt iedereen een zonde en is men gezamenlijk verantwoordelijk.
- Jamā’at voor het Witr‑gebed in de maand Ramaḍān is mustaḥabb (aanbevolen).
- Het vormen van jamā’at voor Sunnat‑ en nafl‑gebeden is makrūh.
In de maand Ramaḍān is het ook makrūh om Witr in jamā’at te verrichten (buiten de Tarāwīḥ‑context). - Als je weet dat je door de ledematen drie keer te wassen in wudū’ een rakʿah zult missen, dan is het beter om ze slechts één keer te wassen, zodat je de rakʿah niet mist.
- Als je weet dat je door de ledematen drie keer te wassen geen rakʿah zult missen, maar alleen de eerste takbīr, dan is het beter om de onderdelen drie keer te wassen. Sagīrī, Bahār‑e‑Sharīʿat.
Legitieme redenen om de jamā’at te missen
- Een ziekte waardoor het zeer moeilijk is om naar de moskee te gaan.
- Erg koud, extreem bewolkt of stormachtig weer.
- Een sterke aandrang om te ontlasten, te plassen of wind te laten.
- Angst voor een agressor of vijand.
- De overtuiging dat men de jamā’at zal missen als men vertrekt.
- Blindheid of een lichamelijke handicap.
- Hoge leeftijd, waardoor het zeer moeilijk is om naar de moskee te gaan.
- Angst dat bezit of voedsel wordt vernietigd als men het onbeheerd achterlaat.
- Armoede en schulden, waarbij men bang is de schuldeiser tegen te komen.
- Zorg voor een zieke, die het moeilijk krijgt of bang wordt als men hem alleen laat.
Waar staat een enkele muqtadī?
Een enkele mannelijke muqtadī, zelfs als hij een kind is, moet aan de rechterkant van de Imām staan, parallel aan hem. Het is makrūh voor een enkele muqtadī om aan de linkerkant van de Imām te staan of recht achter hem.
- Als er twee muqtadīs zijn, moeten zij achter de Imām staan.
Parallel aan de Imām staan is dan makrūh‑e‑tanzīhī. - Als er meer dan twee muqtadīs zijn, is het makrūh‑e‑taḥrīmī om parallel aan de Imām te staan.
Bron: Durr‑e‑Mukhtār, Bahār‑e‑Sharīʿat.
Wanneer iemand later aansluit
Als een persoon naast de Imām stond (dus parallel) en daarna sluit een tweede persoon zich aan bij de jamā’at:
- De Imām moet doorgaan met zijn gebed.
- De persoon die later aansluit, moet naast de muqtadī gaan staan (dus de rij vormen).
Als de Imām geen stap vooruit kan zetten, dan:
- moet de muqtadī achteruit stappen, of
- de nieuw aangekomen persoon moet de muqtadī lichtjes naar achter trekken zodat een rij ontstaat.
Specifieke gevallen
- Als er slechts één muqtadī is, dan is het beter dat hij zelf naar achteren stapt.
- Als er twee muqtadīs zijn, dan is het beter dat de Imām een stap vooruit doet.
Regels van de rijen (Ṣaff)
- De rijen moeten recht zijn, en de mannen moeten naast elkaar staan.
Er mag geen opening tussen de mannen in de rijen zijn.
De schouders moeten op één lijn staan, en de Imām staat vooraan in het midden. - Het is beter om in de eerste rij te staan en dicht bij de Imām. In de Janāzah‑namāz is het echter beter om in de achterste rij te staan. Durr‑e‑Mukhtār.
- De muqtadī moet de Takbīr‑e‑Taḥrīm zeggen samen met of na de Imām. Als de muqtadī het woord “Allāh” tegelijk met de Imām zegt, maar “Akbar” vóór de Imām uitspreekt, dan is de namāz ongeldig.
- De muqtadī mag geen Qur’ān reciteren in welke namāz dan ook. Of de Imām nu hardop of stil reciteert: alles wat de Imām reciteert is voldoende voor de muqtadī in jamā’at. Hidāyah.
- De methode van de rijen is dat volwassen mannen in de eerste rijen staan, en daarachter de kinderen. Hidāyah.
Volgorde van namāz achter een persoon met verkeerde overtuigingen
- Bidden achter een badd‑mazhab wiens corrupte overtuigingen niet bekend waren
Het volgen van een badd‑mazhab (iemand met corrupte overtuigingen) in de namāz — wanneer zijn overtuigingen niet bekend waren — is een zonde. De namāz achter hem is makrūh‑e‑taḥrīmī, en moet daarom herhaald worden, omdat dit wājib is. Durr‑e‑Mukhtār, Radd al‑Muḥtār, ʿĀlamgīrī.
- Bidden achter een fāsiq muʿallim (openlijke zondaar)
Het volgen van een fāsiq muʿallim — iemand die openlijk zondigt, zoals een alcoholgebruiker, gokker, overspeler, iemand die rente ontvangt, of iemand die sprookjes en verzinsels vertelt — is een zonde. De namāz achter hem is makrūh‑e‑taḥrīmī, en moet daarom herhaald worden, want dat is wājib. Radd al‑Muḥtār, Durr‑e‑Mukhtār, enz.
- Bidden achter een badd‑mazhab die buiten de grenzen van de islam valt
Namāz achter iemand die overtuigingen heeft die buiten de plooien van de islam vallen, zoals:
- Rafizī (sjiieten) die bijvoorbeeld het kalifaat of het Ṣaḥābī‑schap van Ḥazrat Abū Bakr verwerpen, of de Shaikhayn (raḍiyAllāhu ʿanhumā) beledigen;
- degenen die geloven dat de Heilige Qur’ān door mensen is bedacht (zoals bepaalde sekten binnen Ahl‑e‑Ḥadīth);
- degenen die de voorbede (shafāʿah) van de Profeet Mohammed ﷺ ontkennen;
- degenen die ontkennen dat men Allāh Ta’ālā zal zien op de Dag van Ḥashr;
- degenen die de bestraffing van het graf ontkennen;
- degenen die het bestaan van de Kirāman Kātibīn ontkennen; achter zulke personen moet de namāz herhaald worden, omdat dit wājib is. ʿĀlamgīrī, Ghaniyah.
- Nog strengere regel: degenen die zichzelf moslim noemen maar Ḍarūriyyāt‑e‑Dīn ontkennen
Voor degenen die zichzelf moslim noemen en uiterlijk de sunnah volgen, maar essentiële geloofsovertuigingen (Ḍarūriyyāt‑e‑Dīn) ontkennen — zoals:
- het beledigen van Allāh Ta’ālā of Zijn Profeet ﷺ,
- of geloven dat het toegestaan is om achter een badd‑mazhab te bidden geldt een nog strengere regel: Het is strikt verboden om achter hen te bidden.
Volgen van een fāsiq in namaaz
- De Imām op een hoger platform
Voor de Imām geldt dat alleen staan op een verhoogd platform makrūh is.
- Als de verhoging klein is, is het makrūh‑e‑tanzīhī.
- Als de verhoging groot is, is het makrūh‑e‑taḥrīmī.
Durr‑e‑Mukhtār, enz.
- De Imām op een lagere plaats dan de muqtadī
Als de Imām lager staat dan de muqtadī, is dit eveneens makrūh en tegen de Sunnah. Durr‑e‑Mukhtār, enz.
Wie is een masbūq en wie een munfarid?
- Een masbūq is iemand die zich bij de jamā’at aansluit nadat de Imām al één of meer rakʿāt heeft verricht, en die vervolgens tot het einde van de namāz met de jamā’at meebidt.
- Een munfarid is iemand die alleen de namāz verricht en niet met de jamā’at meedoet.
- Een masbūq wordt een munfarid op het moment dat hij zijn gemiste rakʿāt inhaalt nadat de Imām de salām heeft gegeven.
- Wanneer een masbūq de Imām aantreft in de qaʿdah (zittende positie):
- Hij zegt Allāhu Akbar terwijl hij staat,
- vouwt zijn armen zoals in het normale qiyām,
- en zegt vervolgens opnieuw Allāhu Akbar terwijl hij gaat zitten, waarna hij zich aansluit bij de jamā’at.
Wanneer hij de Imām aantreft in rukūʿ of sajdah?
-
- Hij verricht eerst Takbīr‑e‑Taḥrīm terwijl hij staat,
- en gaat daarna met een tweede takbīr in rukūʿ of sajdah om zich bij de jamā’at aan te sluiten.
Belangrijke regel: Als hij bij het uitspreken van de eerste “Allāhu Akbar” al te ver voorover buigt, alsof hij bijna in rukūʿ is, dan is zijn namāz ongeldig.
Wanneer moet je een farḍ‑namāz breken en bij de jamā’at aansluiten?
- Als iemand alleen begint aan een vier‑rakʿāt farḍ‑gebed en hij heeft de eerste sajdah van de eerste rakʿah nog niet uitgevoerd, en er begint een jamā’at naast hem, dan moet hij zijn gebed breken en zich bij de jamā’at aansluiten.
- Als hij in een vier‑rakʿāt farḍ‑gebed de eerste sajdah van de eerste rakʿah al heeft verricht, dan mag hij zijn gebed niet breken. Hij bidt twee rakʿāt, beëindigt zijn gebed, en sluit zich daarna aan bij de jamā’
- Als hij drie rakʿāt heeft gebeden, dan mag hij het gebed niet breken. Hij maakt zijn farḍ‑gebed alleen af en sluit zich daarna aan bij de jamā’at met de intentie van nafl.
Let op: In de Asr‑bloktijd mag men geen nafl bidden. Dus in die periode kan hij niet aansluiten met nafl‑intentie.
- In een vier‑rakʿāt farḍ‑gebed: Als hij voor de derde rakʿah de sajdah nog niet heeft verricht, dan moet hij zijn gebed breken en zich bij de jamā’at voegen.
- Hoe breek je een gebed?
Om een gebed te breken:
- Je hoeft niet te gaan zitten.
- Terwijl je staat, neem je de intentie om het gebed te beëindigen.
- Je geeft één salām naar één kant.
Daarmee is het gebed verbroken.
- Nafl, sunnat of qaḍāʾ‑gebeden
Als je bezig bent met een nafl, sunnat of qaḍāʾ‑gebed en er begint een jamā’at:
- Breek het gebed niet.
- Maak het gebed af en sluit je daarna aan bij de jamā’at.
Specifiek:
- Als je een nafl van vier rakʿāt bent begonnen en je hebt één of twee rakʿāt gebeden, maak dan twee rakʿāt af en sluit je aan.
- Als je in de derde rakʿah bent, maak dan het hele gebed af en sluit je daarna aan.
- Alleen breken als de jamā’at op dezelfde plek begint
Je mag een farḍ‑gebed alleen breken om je bij de jamā’at aan te sluiten als de jamā’at begint op de plek waar jij aan het bidden bent.
Dus:
- Bid je thuis, en begint de jamā’at in de moskee → niet breken.
- Bid je in moskee A, en begint de jamā’at in moskee B → niet breken.
Zelfs als je de eerste sajdah nog niet hebt gedaan, mag je niet breken voor een jamā’at elders. Radd al‑Muḥtār.
- De muqtadī moet de Imām volgen in farḍ‑handelingen
Het is verplicht voor de muqtadī om de Imām te volgen in de verplichte handelingen van de namāz. Als de muqtadī:
- vóór de Imām in sajdah gaat, of
- zijn hoofd vóór de Imām optilt,
dan wordt zijn namāz ongeldig. Durr‑e‑Mukhtār, Radd al‑Muḥtār.
- Als de muqtadī te vroeg in sajdah gaat
Als de muqtadī te vroeg in sajdah gaat, maar de Imām doet de sajdah voordat de muqtadī zijn hoofd optilt, dan telt de sajdah wel, maar het is ḥarām om dit te doen. ʿĀlamgīrī.
- Alleen achteraan staan is makrūh‑e‑tanzīhī
Het is makrūh‑e‑tanzīhī voor een muqtadī om alleen achteraan te staan als er ruimte is in de voorste rijen. Als er geen ruimte is, is er geen probleem. Als hij iemand naar achteren wil trekken:
- moet hij zeker weten dat die persoon de regel kent,
- anders kan hij diens namāz ongeldig maken.
Als de persoon niet meekomt, of het niet begrijpt, dan is het niet makrūh om alleen achteraan te bidden. ʿĀlamgīrī, Fatḥ al‑Kabīr, Bahār‑e‑Sharīʿat.
NB: Als de muqtadī zijn hoofd uit de sajdah optilt vóórdat de Imām dat heeft gedaan, dan staat in de ḥadīth dat zo iemand op de Dag des Oordeels uit zijn graf zal opstaan met het hoofd van een ezel.