1 Inleiding

In deze les leert de student wat tafsīr werkelijk is: het openen en verduidelijken van de betekenissen van de Heilige Qur’ān zoals uitgelegd door de Profeet ﷺ. De Qur’ān zelf, de Sunnah, de uitspraken van de Ṣaḥābah en Tābiʿīn, de Arabische taal en zorgvuldig ijtihād vormen de bronnen van correcte tafsīr. De student begrijpt dat de Profeet ﷺ de eerste en volledige uitlegger van de Qur’ān is, dat zijn leven een levende tafsīr vormt, en dat de Ummah enorme inspanningen heeft geleverd om zowel de tekst als de juiste betekenis van de Qur’ān te bewaren. Ook leert de student dat tafsīr een delicate wetenschap is die diepe kennis vereist en dat interpretatie zonder kennis gevaarlijk is.

2 De definitie en noodzaak van tafsīr in de Islam

In het tafsīrboek al‑Burhān, geschreven door Zaydi Imām Abu’l‑Fath an‑Nāṣir ad‑Daylamī, staat dat de letterlijke betekenis van tafsīr in de Arabische taal is: het openen of uitleggen, interpreteren of becommentariëren. Technisch gezien is de wetenschap van tafsīr een kennisgebied waarin de betekenissen van de Heilige Qur’ān, de ḥalāl (geboden), ḥarām (verboden) en ḥikmah (wijsheden) openlijk en duidelijk worden uitgelegd.

De Glorieuze Heilige Qur’ān, die de heilige Profeet ﷺ uitlegt, zegt: “En Wij hebben de vermaning tot u [Profeten] gezonden, opdat u aan het mensdom moogt uitleggen hetgeen tot hen werd neergezonden, zodat zij mogen nadenken.”

Allāh Ta’ālā openbaart ook:

لَقَدْ مَنَّ ٱللَّهُ عَلَى ٱلْمُؤْمِنِينَ إِذْ بَعَثَ فِيهِمْ رَسُولًۭا مِّنْ أَنفُسِهِمْ يَتْلُوا۟ عَلَيْهِمْ ءَايَـٰتِهِۦ وَيُزَكِّيهِمْ وَيُعَلِّمُهُمُ ٱلْكِتَـٰبَ وَٱلْحِكْمَةَ وَإِن كَانُوا۟ مِن قَبْلُ لَفِى ضَلَـٰلٍۢ مُّبِينٍ

“Voorwaar, Allāh heeft de gelovigen [moslims] een gunst bewezen, daar Hij een Boodschapper uit hun midden opwekte, die hun Zijn Tekenen verkondigt, hen loutert en hun het Boek en de wijsheid onderwijst, hoewel zij voordien duidelijk dwaalden.” Surah – Āl‑‘Imrān (het Huis van Profeet ‘Imrān), H3, vers 164

Toelichting (Tangali): De āyah uit Surah Āl‑‘Imrān 3:164 maakt duidelijk dat Allāh Ta’ālā een enorme gunst aan de gelovigen heeft bewezen door uit hun eigen gemeenschap een Boodschapper te zenden. Deze gunst is groter dan alle wereldse zegeningen, omdat de komst van de Profeet Mohammad ﷺ de mens toegang geeft tot Leiding die naar eeuwige redding voert. Dat hij “uit hun midden” is, benadrukt dat hij een mens is die hun taal spreekt, hun gewoonten kent en hun noden begrijpt, waardoor zijn boodschap toegankelijk en navolgbaar wordt. De Profeet ﷺ reciteert de Tekenen van Allāh Ta’ālā zoals zij geopenbaard zijn en vormt daarmee de eerste en primaire uitlegger van de Heilige Qur’ān. Hij zuivert de gelovigen door hun harten te reinigen van shirk, zonden, slechte karaktereigenschappen en innerlijke ziekten zoals hoogmoed en jaloezie. Vervolgens onderwijst hij hen het Boek, de Heilige Qur’ān, en de Wijsheid, de Sunnah, die samen de volledige Islam vormen; zonder de Sunnah is de Qur’ān niet uitlegbaar. De āyah herinnert eraan dat de gelovigen vóór de komst van de Profeet ﷺ in duidelijke dwaling verkeerden, zonder leiding, omringd door afgoderij en morele chaos. Door de komst van de Profeet ﷺ ontvingen zij kennis, orde, spirituele verlichting en een weg naar redding.

Om dit in zicht te houden, moet worden opgemerkt dat de heilige Profeet ﷺ niet alleen de Woorden van Allāh Ta’ālā in de Heilige Qur’ān heeft onderwezen, maar deze ook in detail heeft uitgelegd. Daarom moesten de gerespecteerde Ṣaḥābah (raḍiyAllāhu ʿanhum) in sommige gevallen jaren wijden aan het leren van één Surah.

Tot de tijd dat de heilige Profeet ﷺ de aardse wereld met zijn aanwezigheid sierde, was het zoeken naar de uitleg van een vers geen groot probleem. Wanneer de metgezellen moeilijkheden ondervonden, gingen zij naar hem en kregen een bevredigend antwoord. Later, na hem, werd het noodzakelijk dat de tafsīr van de Heilige Qur’ān werd bewaard als een permanente tak van kennis, zodat – samen met de Woorden van de edele Heilige Qur’ān – de juiste betekenis goed en streng werd beschermd en geconserveerd voor de Ummah van de Islam, en ketters en sekten geen ruimte kregen voor vervorming van de betekenissen. Met de genade en gunst van Allāh Ta’ālā heeft de Ummah deze prachtige missie zo doelmatig bereikt dat wij vandaag zonder enige twijfel kunnen zeggen dat niet alleen de Woorden van het laatste Boek van Allāh Ta’ālā beschermd zijn, maar ook de juiste tafsīr die ons bereikt heeft via de heilige Profeet ﷺ en zijn metgezellen, die bereid waren hun leven voor hem op te offeren.

Vragen die beantwoording nodig hebben:

  • In welke opzichten heeft de moslim‑Ummah de ʿilm beschermd en bewaard?
  • Welke extreme moeilijkheden hebben zij in deze achtervolging ondervonden?
  • Hoeveel etappes moest deze strijd doorlopen worden?

Dit alles heeft een lange en fascinerende geschiedenis die in de huidige context niet kan worden overgenomen. De bedoeling hier is om kort te zijn over wat de bronnen van de Heilige Qur’ān‑tafsīr zijn en hoe deze bronnen zijn gebruikt om de edele Heilige Qur’ān uit te leggen door al die ontelbare boeken over ʿIlm at‑Tafsīr die beschikbaar zijn in elke taal.

3 Bronnen van de Heilige Qur’ān‑tafsīr.

De uitleg van de Heilige Qur’ān rust op zes klassieke bronnen die door de vroege generaties van de Ummah zijn vastgesteld. Allereerst legt de Qur’ān zichzelf uit: verzen verduidelijken elkaar wanneer een onderwerp elders uitgebreider wordt behandeld. De tweede bron is de Sunnah, waarin de Profeet ﷺ de Qur’ān praktisch en verbaal uitlegt. Vervolgens komen de uitspraken van de Ṣaḥābah (raḍiyAllāhu ʿanhum), die getuigen waren van de openbaring en rechtstreeks door de Profeet ﷺ zijn onderwezen. Daarna volgen de Tābiʿīn, die hun kennis ontvingen van de metgezellen. Ook de Arabische taal vormt een essentiële bron, omdat de Qur’ān in het hoogste niveau van Arabisch is geopenbaard. Ten slotte is er ijtihād: zorgvuldig beraadslagen binnen de grenzen van Qur’ān, Sunnah, ijmāʿ en taal, om subtiele betekenissen te begrijpen wanneer eerdere bronnen geen expliciete uitleg geven. Deze bronnen zijn zes in aantal:

3.1 De glorieuze Qur’ān

De eerste bron van kennis van tafsīr is de Heilige Qur’ān zelf. Daarom gebeurt het vaak dat een bepaald punt dat kort is en uitleg vereist, wordt verduidelijkt door een ander vers van de Heilige Qur’ān. Bijvoorbeeld het vers in Surah al‑Fātiḥah: “Leid ons op de rechte weg, het pad van degenen aan wie U Uw genade hebt geschonken…”. In een ander vers worden deze mensen duidelijk geïdentificeerd: “En wie aldus Allāh en deze boodschapper gehoorzaamt, zal zijn onder degenen wie Allāh Zijn zegeningen heeft geschonken, namelijk de profeten, de waarachtigen, de getuigen [martelaars] en de goeden…”. Daarom controleren gerespecteerde mufassirīn eerst of een vers elders in de Heilige Qur’ān wordt uitgelegd. Als dat zo is, kiezen zij dat als eerste methode. Dit is de techniek die Imām Jalāluddīn as‑Suyūṭī (raḍiyAllāhu ʿanhu) hanteerde, overgenomen van de Ṣaḥābah (raḍiyAllāhu ʿanhum).

3.2 De Aḥadīth

De woorden en daden van de heilige Profeet ﷺ worden Sunnah genoemd. Allāh Ta’ālā heeft hem de Qur’ān gezonden met het doel om de juiste betekenissen expliciet uit te leggen. Zijn gehele leven is een praktische tafsīr van de Qur’ān. Daarom leggen mufassirīn grote nadruk op de Aḥadīth als tweede bron. Zwakke of gefabriceerde overleveringen worden niet geaccepteerd; alleen wat voldoet aan de principes van uṣool al‑ḥadīth wordt gebruikt.

3.3 De verslagen van de Ṣaḥābah

De nobele Ṣaḥābah (raḍiyAllāhu ʿanhum) ontvingen hun opleiding rechtstreeks van de Profeet ﷺ en waren aanwezig bij de openbaring. Daarom hebben hun uitspraken de hoogste prioriteit wanneer Qur’ān en Aḥadīth geen expliciete uitleg geven.

3.4 De Tābiʿīn

Zoals Imām Suyūṭī (raḍiyAllāhu ʿanhu) vermeldt in al‑Itqān, deel 2, p. 179, zijn na de Ṣaḥābah de Tābiʿīn aan de beurt. Zij leerden de tafsīr van de Ṣaḥābah en hun verklaringen hebben groot belang.

3.5 De Arabische taal

Omdat de Qur’ān in het Arabisch is geopenbaard, is volledige beheersing van de taal noodzakelijk. Sommige verzen hebben geen context van openbaring of juridische kwestie; deze worden uitsluitend via taalkunde verklaard.

3.6 Beraadslaging en inkorting

Zoals Imām Suyūṭī zegt in al‑Itqān, deel 2, p. 184: de subtiliteiten van de Qur’ān zijn een oceaan zonder kust. Ijtihād is toegestaan zolang het niet in strijd is met Qur’ān, Sunnah, ijmāʿ, taal of uitspraken van Ṣaḥābah en Tābiʿīn.