In deze les behandelen we de Heilige Qur’ān en de Sunnah, de twee hoogste en primaire bronnen van de Sharīʿah. Alle overige bewijsbronnen (Ijmāʿ, Qiyās, Istihsān, ʿUrf, Aqwāl al‑Ṣaḥābah) zijn afgeleid van deze twee fundamenten. Daarom moet de student een diep en helder begrip hebben van:

  • de aard van de Qur’ān,
  • de aard van de Sunnah,
  • de relatie tussen beide,
  • en hoe zij functioneren binnen de Ḥanafī‑fiqh.

1. De Heilige Qur’ān

Het is al‑Qur’ān al‑ʿAẓīm (de Grote Qur’ān), de Kalām (redevoering) van de Heer der Werelden, die gestuurd werd door de aartsengel Jibrāʾīl op het hart van de Heilige Profeet Muḥammad ﷺ, de laatste Boodschapper van Allāh Ta’ālā. Hij werd gezonden als waarschuwer voor de gehele mensheid, in de duidelijke Arabische taal, voor alles wat de mens nodig heeft tot eigen voordeel in hun godsdienst en hun wereld.

Het Boek van Allāh is dat wat:

  • gereciteerd wordt door de tongen,
  • geschreven is in de masāḥif (kopieën),
  • opgeslagen en bewaard is in de harten.

Allāh Ta’ālā openbaart:

لَا يَأْتِيهِ ٱلْبَاطِلُ مِنۢ بَيْنِ يَدَيْهِ وَلَا مِنْ خَلْفِهِۦ تَنزِيلٌۭ مِّنْ حَكِيمٍ حَمِيدٍ

(Geen valsheid kan het beroeren, van voren noch van achteren; het is een Openbaring van de Alwijze, de Geprezene.) Surah Fuṣṣilat (H41, vers 42)

Kenmerken van de Qur’ān volgens de Ḥanafī‑geleerden

  1. ṭiʿ al‑thubūt – absoluut zeker in overlevering.
  2. ṭiʿ en ẓannī al‑dalālah – sommige verzen zijn ondubbelzinnig, andere open voor interpretatie.
  3. Hoogste bron van wetgeving – niets kan de Qur’ān tegenspreken.
  4. Bron van alle aḥkām – alle verplichtingen, verboden, aanbevelingen, afkeuringen en toegestane zaken zijn uiteindelijk terug te leiden naar de Qur’ān.

Functies van de Qur’ān in fiqh

  • legt fundamenten van geloof en wetgeving vast;
  • bevat algemene principes (kulliyyāt);
  • bevat specifieke juridische verzen (āyāt al‑aḥkām);
  • vormt de maatstaf waarmee alle andere bronnen worden beoordeeld.

2. De Sunnah

Wat de Sunnah betreft: Het is de Profeet ﷺ zijn:

  • aqwāl (uitspraken),
  • afʿāl (handelingen),
  • taqrīr (stilzwijgende goedkeuring van uitspraken en acties van anderen).

Kenmerken van de Sunnah volgens de Ḥanafī‑geleerden

  1. Uitleg van de Qur’ān
  2. Specificatie van de Qur’ān
  3. Bevestiging van de Qur’ān
  4. Onafhankelijke bron van wetgeving

Categorieën van Sunnah

  1. Mutawātir – absoluut zeker.
  2. Mashhūr – wijdverspreid, zeer sterk bewijs.
  3. Āḥād – overgeleverd door één of enkele personen; geaccepteerd na strenge toetsing.

3. Hoe worden aḥkām uit Qur’ān en Sunnah afgeleid?

De aḥkām al‑Sharīʿah worden soms afgeleid uit:

  1. Tekst met duidelijke betekenis (naṣṣ): Een tekst die slechts één betekenis kan hebben. Voorbeeld: erfverdeling, strafrechtelijke verzen.
  2. Ẓāhir (schijnbare betekenis): Een tekst die in het algemeen een indicatie van de betekenis geeft, zowel via formulering als via context.
  3. Manṭūq (expliciete betekenis): Dat wat een directe indicatie van de uitspraak heeft door de formulering van de tekst.
  4. Mafhūm (impliciete betekenis): Dat wat kenmerkend is voor de beslissing in overeenstemming met de tekst, wanneer:
  • de mafhūm gelijk is aan of groter dan de manṭūq,
  • of wanneer de mafhūm verschilt van de manṭūq in uitspraak,
  • en de manṭūq gekoppeld is aan een waṣf (kenmerk) of shar (conditie) waarvan bij gebreke de uitspraak verschilt.

Dit is klassieke Ḥanafī‑uṣūl‑analyse.

4. De relatie tussen Qur’ān en Sunnah

De Ḥanafī‑geleerden benadrukken dat de Qur’ān en Sunnah nooit gescheiden kunnen worden.

De Sunnah kan niet zonder de Qur’ān, want de Sunnah is een uitleg van de Qur’ān.

De Qur’ān kan niet zonder de Sunnah, want de Qur’ān geeft vaak algemene principes die door de Sunnah worden uitgewerkt.

Voorbeelden:

  • De Qur’ān beveelt het gebed → de Sunnah legt uit hoe men bidt.
  • De Qur’ān beveelt zakāt → de Sunnah legt uit welke percentages gelden.
  • De Qur’ān beveelt ḥajj → de Sunnah legt uit hoe de rituelen worden uitgevoerd.

5. Waarom de Qur’ān en Sunnah de hoogste Adillah zijn

De Heilige Qur’ān en Sunnah zijn het fundament waarop de mukallafūn worden behandeld en waarop de religie is gebouwd.

Daarom:

  • Ijmāʿ is slechts geldig wanneer het gebaseerd is op Qur’ān en Sunnah.
  • Qiyās is slechts geldig wanneer de ʿillah uit Qur’ān en Sunnah komt.
  • Istihsān is slechts geldig wanneer het de geest van Qur’ān en Sunnah volgt.
  • ʿUrf is slechts geldig wanneer het niet botst met Qur’ān en Sunnah.

Alle secundaire bronnen zijn dus afgeleid van deze twee primaire bronnen.

APA‑bronnen (authentieke Ḥanafī‑boeken)

  • Al‑Bazdawī, A. (n.d.). Uṣūl al‑Bazdawī.
  • Al‑Marghīnānī, B. al‑D. (n.d.). al‑Hidāyah.
  • Ibn al‑Humām, K. (n.d.). Fatḥ al‑Qadīr.
  • Ibn ʿĀbidīn, M. A. (n.d.). Radd al‑Muḥtār ʿalā al‑Durr al‑Mukhtār.
  • Al‑Qudūrī, A. ibn M. (n.d.). Mukhtaṣar al‑Qudūrī.
  • Al‑Shaybānī, M. (n.d.). al‑Ḥujjah ʿalā Ahl al‑Madīnah.
  • Abū Ḥanīfah, N. (n.d.). al‑Fiqh al‑Akbar.