De aḥkām waarop fiqh is gebaseerd worden onderverdeeld in vijf categorieën, namelijk:

1 Wājib (verplichting)

Dat waarvoor degene die het uitvoert wordt beloond, terwijl degene die het nalaat wordt gestraft. In de Ḥanafī‑school valt het grootste deel van de Sharīʿah‑voorschriften onder deze categorie. Voorbeelden:

  • de vijf dagelijkse gebeden,
  • het vasten in Ramaḍān,
  • het betalen van zakāt.

2 Harām (verbod)

Dit is het tegenovergestelde van een verplichting. Degene die het nalaat wordt beloond, en degene die het verricht wordt gestraft. Voorbeelden:

  • het drinken van alcohol,
  • diefstal,
  • overspel.

3 Masnoon (aanbevolen)

Dat waarvoor degene die het uitvoert wordt beloond, terwijl degene die het nalaat geen straf krijgt. Voorbeelden:

  • het verrichten van sunnah‑gebeden,
  • het geven van extra sadaqāh,
  • het bezoeken van zieken.

5 Makrūh (verafschuwd)

Dit is het tegenovergestelde van een aanbeveling. Degene die het nalaat wordt beloond, en degene die het verricht wordt niet gestraft maar het is afkeurenswaardig. Voorbeelden:

  • eten van knoflook vóór het gebed in de moskee,
  • onnodig praten tijdens wuḍūʾ.

6 Mubāḥ (toegestaan)

Dit is waar het doen en nalaten gelijkwaardig zijn. Voorbeelden:

  • lopen, zitten, reizen,
  • het kiezen van kleding binnen de Sharīʿah‑grenzen.

Toelichting op de vijf categorieën

Deze vijf categorieën hebben grote verschillen in status, niveau en rechtsgevolgen. Daarom heeft de Sharʿī (Wetgever) in geval van een zuivere of overweldigende maṣlaḥah (voordeel) een verplichting of aanbeveling vastgesteld. In geval van een onvervalste of overweldigende mafsadah (schade) heeft de Wetgever een absoluut verbod of afkeer uitgesproken.

Dit aṣl (fundamentele beginsel) omvat alle aangelegenheden die onder bevel of verbod van de Sharʿī vallen.

7 Verdeling van Wājib

De uitspraken die wājib zijn worden onderverdeeld in twee categorieën:

FarʿAyn (individuele verplichting)

Dit moet worden nagekomen door elke:

  • mukallaf (moreel verantwoordelijke),
  • bāligh (volwassene),
  • ʿāqil (gezond verstand).

De meerderheid van de Sharīʿah‑uitspraken valt onder deze categorie.

Farḍ Kifāyah (collectieve verplichting)

Dit moet worden nagekomen door het collectief van moreel verantwoordelijken, maar niet door elke individu afzonderlijk.

Voorbeelden:

  • het leren van nuttige wetenschappen en industrieën,
  • de adhān,
  • het bevelen van het goede en het verbieden van het kwaad,
  • begrafenisrituelen,
  • en andere soortgelijke zaken.

8 Middelen en Doelen (al‑wasāʾil wa‑l‑maqāṣid)

Over aangelegenheden die de Wetgever heeft toegestaan: Soms leiden zij tot iets goeds en worden zij geïntegreerd onder de toegestane zaken; op andere momenten leiden zij tot iets kwaads en worden zij gerekend tot de verboden zaken.

Hieruit volgt het grote Ḥanafī‑beginsel: “al‑wasāʾil lahā aḥkām al‑maqāṣid”

De middelen nemen de rechtsstatus aan van hun doelstellingen.

9 Afgeleide Ḥanafī‑principes

Uit bovenstaande leren we: “mā yatimm al‑wājib illā bihi fa‑huwa wājib”

Wat nodig is om een verplichting te vervullen, is zelf verplicht.

Evenzo:

  • wat nodig is om een masnūn (aanbevolen) handeling te verrichten, is zelf aanbevolen;
  • wat leidt tot het doen van ḥarām, is zelf ḥarām;
  • wat leidt tot het doen van makrūh, is zelf makrūh.

Dit zijn klassieke Ḥanafī‑uṣūl‑principes die de structuur van fiqh bepalen.

APA‑bronnen (authentieke Ḥanafī‑boeken)

  • Al‑Bazdawī, A. (n.d.). Uṣūl al‑Bazdawī.
  • Al‑Marghīnānī, B. al‑D. (n.d.). al‑Hidāyah.
  • Ibn al‑Humām, K. (n.d.). Fatḥ al‑Qadīr.
  • Ibn ʿĀbidīn, M. A. (n.d.). Radd al‑Muḥtār ʿalā al‑Durr al‑Mukhtār.
  • Al‑Qudūrī, A. ibn M. (n.d.). Mukhtaṣar al‑Qudūrī.
  • Al‑Shaybānī, M. (n.d.). al‑Ḥujjah ʿalā Ahl al‑Madīnah.
  • Abū Ḥanīfah, N. (n.d.). al‑Fiqh al‑Akbar.