Alle lof behoort aan Allāh Ta’ālā. Daarom loven wij Hem voordat wij ook maar iets kunnen afleiden uit Zijn prachtige en volmaakte Namen; voor Zijn Oordeel en Zijn decreet dat alles in het bestaan omvat; voor Zijn goddelijk voorgeschreven Wetten die elk gebied van de wetgeving omvatten; en voor Zijn Oordeel betreffende de beloningen voor de doeners van goede daden en de straffen voor degenen die misdaden begaan.
Ik getuig dat niemand en niets het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allāh Ta’ālā, die geen partner heeft — niet in Zijn Attributen en niet in Zijn Rechtspraak. En ik getuig dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ Zijn dienaar en Boodschapper is, die verlichting heeft gebracht in alles wat bestaat, de uitspraken betreffende wat ḥalāl (wettig) en wat ḥarām (verboden) is heeft uiteengezet, en het fundament van de islam heeft vastgesteld door zelf het volmaakte voorbeeld te zijn, totdat de islam als godsdienst stevig verankerd was in de moslimgemeenschap.
O Allāh Ta’ālā, stuur verheerlijking en zegeningen van vrede op de Geliefde en Nobele Profeet Mohammed ﷺ, zijn familie en zijn metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum), en op degenen die hen volgen — waaronder de Ulamāʾ al‑Ḥaqq.
Er zijn twee soorten geleerden: de Ulamāʾ al‑Ḥaqq, de soennitische Schriftgeleerden die de waarheid verkondigen; en de Ulamāʾ al‑Sūʾ, die mensen misleiden en hen van het rechte pad afbrengen. In een overlevering (verteld door Mufti Abdul Wajīd, ʿalayhir‑raḥmah) staat dat op de Dag des Oordeels de Ulamāʾ al‑Sūʾ lange bamboestokken op hun schouders zullen dragen, waaraan de mensen hangen die door hen misleid zijn. Allāh Ta’ālā zal de engelen bevelen om deze misleidende geleerden en hun volgelingen voorgoed naar het Hellevuur te brengen.
Belangrijke opmerking
De termen Ulamāʾ al‑Ḥaqq en Ulamāʾ al‑Sūʾ zijn klassieke fiqh‑termen die verwijzen naar ethisch gedrag van geleerden, niet naar etnische of religieuze groepen.