1. Inleiding
De Qur’ān bevat verzen die volledig duidelijk en ondubbelzinnig zijn (muhkamāt) en verzen waarvan de betekenis meerlagig of minder direct is (mutashābihāt). Dit onderscheid vormt een essentieel onderdeel van de Qur’ān‑wetenschappen, omdat het richting geeft aan de wijze waarop verzen worden geïnterpreteerd en toegepast. De muḥkam‑verzen vormen de vaste fundamenten van geloof en wetgeving, terwijl de mutashābih‑verzen uitnodigen tot diepere reflectie en behoedzame duiding binnen de grenzen van de klassieke Sunni‑uitleg. Begrip van deze twee categorieën is noodzakelijk om de boodschap van de Qur’ān in haar juiste context te begrijpen.
2. Tafwīḍ en Taʾwīl
Tafwīḍ: de methodiek van de overgrote meerderheid van de Salaf aṣ‑Ṣāliḥ van de 1e tot en met de 3e eeuw. Salaf aṣ‑Ṣāliḥ: de eerste drie generaties van de Muslim Ummah.
Tafwīḍ betekent het afwenden van de letterlijke betekenis van bepaalde woorden, omdat vaststaat dat deze niet op Allāh Ta’ālā van toepassing zijn, zoals “handen”, “voeten” of “gezicht”.
Taʾwīl: de methodiek van enkele geleerden van de Salaf aṣ‑Ṣāliḥ en van grote groepen geleerden vanaf de 4e eeuw. Taʾwīl betekent het afwenden van de letterlijke betekenis, omdat vaststaat dat deze niet op Allāh Ta’ālā van toepassing is. Dit houdt in dat men stellig gelooft dat de letterlijke betekenis van het woord niet de bedoeling is van het vers.
De woorden taʾwīl en tafsīr zijn vertaald als uitleg, toelichting, interpretatie en commentaar. Vanaf het einde van de 8e eeuw werd taʾwīl algemeen beschouwd als mystieke interpretatie van de Heilige Qur’ān, terwijl de conventionele exegese van de Qur’ān tafsīr werd genoemd. Mystieke interpretaties zijn te vinden in zowel Shīʿa‑ als Sunnī‑uitlegtradities.
Een ḥadīth stelt dat de Heilige Qur’ān een innerlijke betekenis heeft, en dat deze innerlijke betekenis een nog diepere betekenis verbergt, enzovoort — tot zeven opeenvolgende niveaus van diepgang. Deze ḥadīth is soms gebruikt ter ondersteuning van deze visie.
Allāh Ta’ālā openbaart:
هُوَ ٱلَّذِيۤ أَنزَلَ عَلَيْكَ ٱلْكِتَابَ مِنْهُ آيَاتٌ مُّحْكَمَاتٌ هُنَّ أُمُّ ٱلْكِتَابِ وَأُخَرُ مُتَشَابِهَاتٌ فَأَمَّا الَّذِينَ في قُلُوبِهِمْ زَيْغٌ فَيَتَّبِعُونَ مَا تَشَابَهَ مِنْهُ ٱبْتِغَاءَ ٱلْفِتْنَةِ وَٱبْتِغَاءَ تَأْوِيلِهِ وَمَا يَعْلَمُ تَأْوِيلَهُ إِلاَّ ٱللَّهُ وَٱلرَّاسِخُونَ فِي ٱلْعِلْمِ يَقُولُونَ آمَنَّا بِهِ كُلٌّ مِّنْ عِندِ رَبِّنَا وَمَا يَذَّكَّرُ إِلاَّ أُوْلُواْ ٱلأَلْبَابِ
“Hij is het Die u het Boek heeft neergezonden. Daarin zijn verzen die duidelijk en vaststaand zijn (Muhkamāt); zij vormen de grondslag van het Boek. Andere verzen zijn zinnebeeldig (Mutashābihāt). Degenen in wier hart afwijking is, volgen de zinnebeeldige verzen, op zoek naar tweedracht en naar een verkeerde uitleg. Niemand kent de juiste uitleg behalve Allāh. Maar degenen die vast gegrondvest zijn in kennis zeggen: ‘Wij geloven erin; alles is van onze Heer.’ En niemand trekt er lering uit behalve zij die begrip hebben.” Surah Āl ʿImrān (H3), vers 7.