بِسمِ ٱلله الرَّحْمٰنِ الرَّحِيـمِ
Bismillāh-hier-Raḥmānīr-Raḥīm
Allāh’s Naam zij het begin, de Barmhartige, de Genadevolle.
1. Vier rivieren
Toen de Heilige Profeet ﷺ op Miʿrāj (Hemelvaart) was, zag hij vier rivieren in Jannat (het Paradijs). In één rivier stroomde water, in de tweede melk, in de derde wijn (Jannat‑drank) en in de vierde honing. Hij vroeg aan de aartsengel Ḥazrat Jibrāʾīl (ʿalayhis salām) over die rivieren.
De engel antwoordde: “Bid en vraag aan Allāh, zodat Hij u zelf informeert.”
Door de du’ā (smeekbede) van RasoolAllāh ﷺ verscheen een andere engel die salām overbracht aan de Profeet. De engel zei vervolgens: “O RasoolAllāh ﷺ, sluit uw ogen.”
Toen de Profeet ﷺ daarna zijn ogen weer opende, zag hij een gebouw voor zich. De deur van dat gebouw was van goud gemaakt en er zat een slot op de deur. Uit het gebouw stroomden onder de deur door de vier rivieren waarover de Profeet ﷺ wilde weten.
Op het moment dat de Profeet ﷺ besloot weg te gaan, vroeg de engel hem om het gebouw binnen te gaan. De Profeet ﷺ antwoordde dat hij niet naar binnen kon gaan, omdat de deur op slot zat. De engel zei dat hij de sleutel van het slot bij zich had.
Nadat de engel de deur had geopend, ging de Profeet ﷺ naar binnen. Binnen zag de Profeet ﷺ vier pilaren en op iedere pilaar stond Bismillāh‑hier‑Raḥmānīr‑Raḥīm geschreven. Van elke pilaar stroomde een rivier.
Hij zag een rivier van water stromen van de letter “Miem” van Bismillāh, de tweede rivier van melk stroomde van de letter “Haa” van Allah, de derde rivier van wijn stroomde van de letter “Miem” van Raḥmān, en de vierde rivier van honing stroomde van de letter “Miem” van Raḥīm.
Op dat moment zei Allāh Ta’ālā (Almachtige): “O Geliefde! Iedere gelovige van uw Ummah (Ahle Sunnat) die Bismillāh reciteert, zal waardig zijn voor deze vier rivieren.”
2. Iedere Surah begint met de Bismillāh, behalve Surah Taubah.
Dat komt omdat in deze Surah de huichelaars en luie moslims worden gewaarschuwd tegen hun hypocrisie en lage geest (luiheid) om in de zaak van Allah Ta’ālā te dienen. De stemming was agressief, en wanneer men in een boze bui is, zegt men niet de Bismillāh (Tasmiyyah), maar Aʿūdhubillāhi minash‑shayṭān ir‑rajīm (Taʿawwudh).
Onze Profeet ﷺ heeft gezegd: “Als de leraar Basmala zegt voor het kind en het kind herhaalt, dan heeft Allah Ta’ālā een voucher opgeschreven opdat het kind, zijn ouders en zijn leraar naar de hel gaan.”
Allah Ta’ālā is begonnen met de Heilige Qur’ān met deze drie Namen van Zijn eigen, omdat de mens drie stadia heeft: namelijk zijn toestand in de wereld, in het graf en in het Hiernamaals. Als de mens Allah Ta’ālā aanbidt, maakt hij zijn werk in de wereld, heeft Allah Ta’ālā medelijden met hem in het graf, en vergeeft Hij zijn zonden in het Hiernamaals is een deel van een volledige Āyah (vers) van de Heilige Qur’ān, maar is geen deel van iedere Surah. Allah Ta’ālā openbaart:
إِنَّهُ مِن سُلَيْمَانَ وَإِنَّهُ بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَـٰنِ ٱلرَّحِيمِ
Hij is van Salomo en luidt: “In naam van Allāh, de Barmhartige, de Genadevolle.
Surah an-Naml (de mieren) H27, vers 30.
Het is de Basmala die als eerste werd geschreven in de Lawḥ al‑Maḥfūẓ. [In de pre‑eeuwigheid wist Allah Ta’ālā alles wat er zou gebeuren in de wereld. Hij legt Zijn kennis van de eeuwigheid en Zijn eeuwige Woord aan de engelen op een plaats genaamd Lawḥ al‑Maḥfūẓ. De engelen doen wat zij leren van de Lawḥ al‑Maḥfūẓ.]
Lawḥ al‑Maḥfūẓ is een witte, platte diamant boven de 7e hemel. Al‑Jalālayn, p. 496
فَإِذَا قَرَأْتَ ٱلْقُرْآنَ فَٱسْتَعِذْ بِٱللَّهِ مِنَ ٱلشَّيْطَانِ ٱلرَّجِيمِ
“En wanneer je de Qur’ān voordraagt, zoekt dan uw toevlucht tot Allāh tegen Satan, de verworpene.” Surah an-Nahl (de bij), H16, vers 98
Tafsīr al‑Jalālayn: Allah Ta’ālā beveelt Zijn Profeet Sulaymān in de 97ste āyah van Surah an‑Naḥl (H16): “Zeg het Aʿūdhu wanneer je de Heilige Qur’ān begint te lezen.”
Dit betekent: “Bid voor jezelf door te zeggen: ‘Ik vertrouw mezelf aan Allah Ta’ālā toe, ik stel mijn vertrouwen op Hem, ik leg mezelf bij Hem neer, en ik klaag en jammer bij Hem tegen de duivel, die ver is van Allāh’s genade en die, door het opwekken van Zijn toorn, vervloekt werd in deze wereld en in de volgende.’”
3. Uitnodiging voor het doen van onderzoek
De Heilige Qur’ān zelf, zoals gezien door een aantal eminente geleerden, is een zo rijke bewaarplaats van wetenschap dat dr. Maurice Bucaille verklaart dat kennis van de wetenschap van een ‘encyclopedisch’ bereik nodig is om dergelijke enorme wetenschappelijke rijkdom te beoordelen. Bucaille stelt ook dat, terwijl de Heilige Qur’ān zoveel van het wetenschappelijke bevat, het voor de wetenschapper onmogelijk is om inconsistenties erin te vinden — in tegenstelling tot de moderne wetenschap.
Allāh Ta’ālā openbaart:
وَلاَ يَأْتُونَكَ بِمَثَلٍ إِلاَّ جِئْنَاكَ بِٱلْحَقِّ وَأَحْسَنَ تَفْسِيراً
“En zij stellen u geen vraag of Wij geven u de Waarheid en een uitmuntende uitleg.” Surah al-Furqān (het criteria), H25, vers 33
4. De omvang van de islamitische kennis en wetenschap
Om te kunnen overleven in de huidige eeuw moeten wij onszelf niet verwesteren. Deze verklaring heeft twee gevoelswaarden. Ten eerste betekent het leren en aannemen van wat de Europeanen hebben uitgevonden in de wetenschap, in de kunst en in de media: verbetering en vooruitgang, en ernaar streven om dit te gebruiken, zoals de Islam beveelt.
Het tweede type verwestering houdt in dat je de rechtvaardige en heilige wegen van onze voorouders verlaat; dat je alle tradities, gewoonten, immoraliteit en smerigheden van het Westen accepteert, evenals hun ongodsdienstigheid en afgoderij, en dat je zó ver gaat om moskeeën te transformeren in kerken of musea van oude kunst — wat de meest akelige stompzinnigheid van allemaal is.
De Islam een “oosterse religie, een achterlijke religie en de Heilige Qur’ān wetten van de woestijn” noemen, terwijl tegelijkertijd wordt verwezen naar afgoderij en het vermengen van muziek met aanbidding als “westerse, moderne en geciviliseerde religie”, is in feite een daad van het verlaten van de Islam, het wenden tot het christendom en het aanbidden met muziekinstrumenten.
De vijanden van de Islam moeten heel goed weten dat het edele bloed in de aderen stroomt van de oprechte moslims, en dat zij in deze zin niet verwesterd zullen worden — noch vandaag, noch in de dagen waarnaar de vijanden uitkijken. En onze moslims Ahle Sunnat zullen geen communisten worden, noch de heilige overtuigingen van hun voorouders laten betreden.
Allāh Ta’ālā openbaart:
وَلَوْ أَنَّمَا فِي ٱلأَرْضِ مِن شَجَرَةٍ أَقْلاَمٌ وَٱلْبَحْرُ يَمُدُّهُ مِن بَعْدِهِ سَبْعَةُ أَبْحُرٍ مَّا نَفِدَتْ كَلِمَاتُ ٱللَّهِ إِنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٌ
“En als alle bomen op aarde pennen waren en de oceaan, met nog zeven oceanen aangevuld [inkt was], de Woorden van Allāh zouden niet kunnen worden uitgeput. Voorwaar, Allāh is Almachtig, Alwijs.” Surah Luqmān (de Wijzen), H31, vers 27
- Allāh Ta’ālā vertelt ons in dit vers over Zijn Macht, Trots, Majesteit, prachtige Namen en sublieme Attributen, en over Zijn perfecte Woorden die niemand kan omvatten.
- Geen mens kent Zijn essentie of aard, noch hoeveel zij zijn.
- Zoals de Leider van de Mensheid en het Zegel van de Boodschappers zei: “Ik kan U niet genoeg prijzen; U bent zoals U Zichzelf hebt geprezen [in Surah Fātiḥah].”
Imām al‑Ghazālī (raḍiyAllāhu ʿanhu) zegt in Iḥyāʾ ʿUloom ad‑Dīn: alle lof komt toe aan Allāh Ta’ālā, Die Zijn dienaren heeft gezegend door geopenbaarde Boeken en profeten te sturen. De Heilige Qur’ān bevat geen valse verhalen over vroegere tijden of over de toekomst. Het is een openbaring van de Allerhoogste, de Almachtige. Daarin is voedsel voor reflectie voor degenen die nadenken, en er zijn waargebeurde verhalen over voormalige naties.
Door Zijn hulp wordt het lopen op het rechte pad gemakkelijk, omdat de Geboden en Verboden daarin in duidelijke bewoordingen zijn uitgedrukt en de ḥalāl (wettige) en ḥarām (onwettige) zaken helder zijn gemaakt. Het is een Licht, en daarin is genezing voor de ziekten van de geest. Allāh Ta’ālā vernietigde degenen die zich ertegen verzetten. Allāh Ta’ālā misleidt degene die andere kennis zoekt dan die van de Heilige Qur’ān.
Het is een stevig touw van Allāh Ta’ālā, een helder licht en de stevigste stropdas. Alles zit erin, klein en groot. Er komt geen einde aan zijn wonder. Het is altijd fris en nieuw voor de voordragers. Het is een gids voor het verleden en voor de toekomst.
De Djinn hoorden het en waarschuwden hun klassen. Zij zeiden: “Wij hoorden een prachtige Heilige Qur’ān. Het is een gids. Wij geloven erin en wij hebben niets met onze Heer geassocieerd.” Degenen die volgens haar advies handelden, vertelden de waarheid. Degenen die haar vasthielden, vonden leiding. Degenen die ernaar handelden, kregen redding.
Allāh Ta’ālā openbaart:
إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا ٱلذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ
“Voorwaar, Wij hebben deze vermaning [de Heilige Qur’ān] neergezonden en voorzeker Wij zullen er de Waker over zijn.” Surah al-Hijr (het rotsachtige pad), H15, vers 9
De manieren om de Heilige Qur’ān te bewaren zijn de volgende: het in het geheugen vastleggen, het in geschriften opschrijven, het altijd reciteren, het in het gebed lezen, het uitleggen en er commentaar op geven. Dit zal in vier delen worden besproken.
5. Leringen in de Qur’ān zijn van drie categorieën
De eerste categorie omvat feiten die Allāh Ta’ālā aan niemand heeft medegedeeld. Niemand behalve Allāh Zelf kent deze: Zijn Essentie, Zijn Namen en Zijn Eigenschappen.
De tweede categorie kennis heeft Allāh Ta’ālā alleen aan de Profeet Mohammed ﷺ gesuggereerd. Niemand behalve de verheven Profeet ﷺ en de Awliyāʾ (superieure geleerden, die zijn erfgenamen zijn) kan dit soort kennis verklaren. Voorbeelden hiervan zijn de āyāt die mutashābih worden genoemd.
De derde categorie belichaamt de leringen die Hij heeft gecommuniceerd aan Zijn Profeet Mohammed ﷺ en hem heeft bevolen om deze te onderwijzen aan zijn Ummah (soennitische moslims).
6. Ook deze kennis bestaat uit twee delen.
Het eerste deel bevat de Qasās (geschiedenissen) die de toestanden van de mensen uit het verleden beschrijven, en de Akhbār (nieuwsberichten) die de zaken omvatten die Hij heeft geschapen en zal scheppen in deze wereld en in de volgende. Deze kunnen pas begrepen worden nadat zij zijn uitgelegd door RasoolAllāh ﷺ. Zij kunnen niet worden begrepen door het verstand of door experimenteren.
Het tweede deel kan worden begrepen door het verstand, door ervaring en door het leren van de Arabische taal. Dat is het geval bij het afleiden van regels uit de Qur’ān en bij het begrijpen van wetenschappelijke kennis. (Mawḍūʿāt al‑ʿUloom)
Imām an‑Nasafī (Raḥmatullāhi ʿalayh) schrijft in ʿAqāʾid: “Betekenissen moeten worden gegeven volgens de Arabische leringen. Het zal ilhād zijn (het verlaten van de religie door één of meerdere delen van de Qur’ān verkeerd te begrijpen; degene die dit doet wordt een mulḥid genoemd) en ongeloof om andere betekenissen te geven, zoals de afwijkende Ismāʿīlī [een van de groepen sjiieten] deed.”
Degenen die hun kinderen hun religie, de Islam, niet onderwijzen, gaan naar de Hel. En hij zei eens: “Degenen die hun kinderen de Heilige Qur’ān leren, of hen naar leraren van de Heilige Qur’ān sturen — voor elke letter van de Heilige Qur’ān zullen zij beloningen ontvangen alsof zij de Kaʿbah tien keer hebben bezocht. En op de Dag van de Wederopstanding zal een kroon van soevereiniteit op hun hoofd worden gezet. Alle mensen zullen het zien en bewonderen.”
Er is geen vertaling van Heilige Qur’ān‑verzen maar alleen uitleg. Wanneer een mujtahid beknopt uitlegt wat hij onder een āyah verstaat, wordt deze uitleg Maʿānī genoemd. Wanneer een āyah woord voor woord in een vreemde taal wordt uitgesproken, wordt dit een vertaling genoemd.
Heilige Qur’ān‑verzen kunnen niet worden vertaald in beknopte en juiste vormen. Islamitische ʿulamāʾ probeerden de verzen uit te leggen door lange tafāsīr (exegeses) te gebruiken, maar niet door te vertalen.