1. Tadwīn

Tadwīn (تدوين) betekent in de klassieke islamitische wetenschappen: “Het systematisch verzamelen, ordenen en schriftelijk vastleggen van kennis.”

Het woord komt van de Arabische stam d‑w‑n, die te maken heeft met:

  • opschrijven
  • registreren
  • ordenen
  • in een boek of codex vastleggen

In de context van de Qur’ān‑wetenschappen betekent tadwīn dus: Het officieel en systematisch vastleggen van de Qur’ān in een Muṣḥaf.

En in bredere zin: Het schriftelijk vastleggen van religieuze kennis, zoals tafsīr, ḥadīth, fiqh en geschiedenis.

2. Periode vóór de schriftelijke tadwīn (registratie 632-644)

Reden van het ontbreken van registratie: de Heilige Profeet Mohammed ﷺ verbood zijn metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum) om iets anders dan de teksten van de Qur’ān op te schrijven, omdat het mogelijk was dat zijn handelingen (per ongeluk) als Qur’ān‑tekst zouden worden genoteerd. Hij zei dat zijn uitspraken op zijn gezag mondeling mochten worden overgeleverd. En wie opzettelijk leugens over hem vertelt, moge zijn plaats in de Hel innemen!

Kuttāb al‑Wahy was een commissie die door de Heilige Profeet Mohammed ﷺ werd ingesteld om de geopenbaarde verzen op te schrijven. Deze commissie bestond uit: Zayd ibn Thābit, ʿAbd Allāh ibn al‑Zubayr, Saʿīd ibn al‑ʿĀṣ en ʿAbd al‑Raḥmān ibn al‑Ḥārith. De verzen werden opgeschreven op al‑Uṣūb (palmbladeren), al‑Daḥāf (platte stenen) en al‑Adīm (leder).

De Qur’ān werd daarom in de regeerperiode van Ḥazrat Abū Bakr Ṣiddīq (632–634) verzameld. Hij gaf opdracht aan Ḥazrat Zayd ibn Thābit (raḍiyAllāhu ʿanhumā) om alle geopenbaarde verzen te verzamelen en deze aan Sayyidah Ḥafṣah te overhandigen voor bewaring. In de regeerperiode van Ḥazrat ʿUmar‑e‑Fārūq‑e‑Aʿẓam (634–644) (raḍiyAllāhu ʿanhu) werd de Qur’ān eveneens niet opgeschreven; ook de aḥādīth werden in hun periode niet schriftelijk vastgelegd, maar mondeling verspreid.

Enkele Ṣaḥābah die de Qur’ān‑wetenschappen beoefenden zijn: Ḥazrat Abū Bakr Ṣiddīq, Ḥazrat ʿUmar‑e‑Fārūq‑e‑Aʿẓam, Ḥazrat ʿUthmān ibn ʿAffān Ghanī, Ḥazrat ʿAlī Murtaḍā, Ḥazrat Ibn ʿAbbās, Ḥazrat Ibn Masʿūd, Ḥazrat Zayd ibn Thābit, Ḥazrat Abū Mūsā al‑Ashʿarī en Ḥazrat ʿAbd Allāh ibn al‑Zubayr (raḍiyAllāhu ʿanhum).

Enkele Tābiʿīn die de Qur’ān‑wetenschappen beoefenden zijn: Ḥazrat Mujāhid, ʿAṭāʾ, ʿIkrimah, Qatādah, al‑Ḥasan al‑Baṣrī, Saʿīd ibn Zubayr en Saʿīd ibn Aslam (raḍiyAllāhu ʿanhum).

3. Bovenstaande personen worden beschouwd als de grondleggers van:

  1. ‘Ilm al-tafsīr (Qur’ān exegese)
  2. Asbāb al-nuzūl (aanleiding tot de openbaring)
  3. ‘Ilm al-nāsikh wa-‘l-mansūkh (wetenschap van het opheffend en opgeheven)
  4. ‘Ilm gharīb al-Qur’ān (wetenschap van de zeldzame uitdrukkingen en woordbetekenissen van de Qur’ān).

4. Reden van nāsikh

Nāsikh (ناسخ) betekent in de islamitische wetenschappen: “Opheffende tekst” — een openbaring die een eerdere regel, uitspraak of juridische bepaling vervangt.

Het hoort bij het bekende paar:

  • nāsikh = de opheffende tekst
  • mansūkh = de opgeheven tekst

Soms leverden de verwijzingen van de juristen naar de verzen van de Heilige Qur’ān tegenstrijdige opvattingen op. In situaties waarin het conflict niet kon worden opgelost, beriepen de juristen zich op de leer van de opheffing (nāsikh). Zij voerden aan dat de verzen van de Heilige Qur’ān elkaar niet kunnen tegenspreken, en dat daarom één van de tegenstrijdige verzen moet zijn afgeschaft.

Men vindt ten minste twee zal deze verklaringen:

  1. Een benadering is bedoeld om de basis van de uitleg (sabab = aanleiding, context of opinie) te verduidelijken, waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in lokale taalgewoonten, culturele gebruiken en de uiteenlopende niveaus van kennis van de ḥadīth.
  2. De andere benadering probeert de verschillende methoden te identificeren die door juristen of door de rechtsscholen zijn aangenomen in hun juridische redenering.

5. Periode van de schriftelijke registratie 644-656

Dit is de regeerperiode van Ḥazrat ʿUthmān ibn ʿAffān Ghanī (raḍiyAllāhu ʿanhu). Hij gaf opdracht aan Ḥazrat Zayd ibn Thābit (raḍiyAllāhu ʿanhu) om de Heilige Qur’ān in één Muṣḥaf (codex) te bundelen. Hiermee begon de ontwikkeling van de Qur’ān‑wetenschappen, ook wel aangeduid als ʿIlm rasm al‑Qur’ān en ʿIlm rasm al‑ʿUthmānī.

Na zijn regeerperiode brak de tijd van de Umayyaden (661–750) aan. Tijdens deze periode werden vele boeken geschreven met bijzondere aandacht voor ʿIlm al‑tafsīr, omdat deze wetenschap als bron voor de overige islamitische wetenschappen werd beschouwd. De eerste methode van Qur’ān‑exegese is al‑tafsīr bi’l‑ma’thūr: bepaalde delen van de Qur’ān werden uitgelegd met andere passages uit de Qur’ān, met aḥādīth en met uitspraken van de metgezellen.