1. De Eerste Openbaring en de Rol van de Engelen bij het Nuzūl al‑Qur’ān
De Heilige Qur’ān is in drieëntwintig jaar geopenbaard, maar niet in een aaneengesloten tijdsvolgorde. Toen de Heilige Profeet Mohammed ﷺ veertig jaar oud was, in de gezegende maand Ramaḍān, en zich op een maandag bevond in de grot op de berg Jabal‑e‑Ḥirāʾ — ook bekend als Jabal‑e‑Nūr, ongeveer een uur lopen ten noorden van Mekka — verscheen de engel Jibrāʾīl (ʿalayhis salām) bij hem. Hij informeerde de Profeet ﷺ dat hij de laatste Profeet was, gezonden voor alle mensen en djinn. De aartsengel Jibrāʾīl bracht de eerste openbaring met zich mee.
Over de vraag welk vers precies de eerste openbaring was, bestaat meningsverschil onder de akābir van de vroege Ulema‑e‑Kirām. Na deze eerste verschijning kwam gedurende drie jaar de engel Isrāfīl bij de Profeet ﷺ om hem te onderwijzen in de kennis en wijsheid die Allāh Ta’ālā had gezonden. Isrāfīl bracht echter geen verzen van de Heilige Qur’ān. Na deze drie jaar kwam opnieuw de aartsengel Jibrāʾīl, en hij bracht de gehele Heilige Qur’ān in een periode van twintig jaar neer.
Ḥazrat Jibrāʾīl (ʿalayhis salām) kwam vierentwintigduizend keer bij de Profeet ﷺ. Hij bezocht Profeet Ādam twaalf keer, Profeet Nūḥ vijftig keer, Profeet Ibrāhīm veertig keer, Profeet Mūsā vierhonderd keer en Profeet ʿĪsā tien keer. In Tafsīr Naʿīmī, deel 2, p. 170, staat dat Ḥazrat Jibrāʾīl (ʿalayhis salām) tien Geschriften bracht naar Profeet Ādam, vijftig naar Shīth, dertig naar Idrīs en tien naar Ibrāhīm (ʿalayhim as‑salātu wa as‑salām).
De Profeet Mohammed ﷺ manifesteerde zijn profeetambt niet gedurende de drie jaar waarin de engel Isrāfīl bij hem langskwam. Pas na de opdracht van Allāh Ta’ālā verklaarde hij aan de mensen dat hij de laatste Profeet ﷺ van Allāh Ta’ālā was.
Over deze opdracht openbaart Allāh Ta’ālā:
يٰأَيُّهَا ٱلْمُدَّثِّرُ
قُمْ فَأَنذِرْ
وَرَبَّكَ فَكَبِّرْ
“O gij die u omhult! Sta op en waarschuw, En verkondig de Grootheid van uw Heer.” Surah al-Muddathir (de gebundelde), H74, verzen 1-3
Tafsīr al‑Jalālayn: “O jij die omhuld bent door jouw mantel — al‑Muddathir, wat eigenlijk al‑mutadaththir is, maar waarbij de tā’ is geassimileerd met de dāl — dat wil zeggen: degene die in zijn kleding gewikkeld was toen de Openbaring via Jibrāʾīl op hem neerkwam. Sta op en waarschuw: waarschuw de mensen van Mekka voor de straf van het Vuur als zij weigeren te geloven. En verheerlijk jouw Heer: verhef Hem boven hetgeen de afgodendienaars Hem toeschrijven.”
De openbaringen zijn gefaseerd neergezonden, soms bestaande uit twee, vijf, tien āyāt of zelfs een volledige surah, afhankelijk van de noodzaak op dat moment.
Openbaringen in Mekka al‑Mukarramah
De Heilige Profeet Mohammed ﷺ ontving vanaf zijn veertigste levensjaar gedurende dertien jaar openbaringen in de stad Mekka al‑Mukarramah. Deze āyāt en suwār worden Makkī genoemd.
Openbaringen in Medina al‑Munawwarah
Met de verhuizing van Mekka naar Medina al‑Munawwarah op drieënvijftigjarige leeftijd begon de islamitische jaartelling, die Hijrī wordt genoemd. Gedurende tien jaar openbaarde Allāh Ta’ālā in deze verlichte stad de resterende āyāt van de Heilige Qur’ān aan de Heilige Profeet ﷺ. Deze āyāt en suwār worden Madīnī genoemd.
2. Drie fasen van openbaring
De eerste neerzending van de verzen vond plaats in al‑Lawḥ al‑Maḥfūẓ (de Welbewaarde Tafel). Dit blijkt uit de openbaring van Allāh Ta’ālā:
فِي لَوْحٍ مَّحْفُوظٍ
“Op een beschermde Tafel.” Surah al‑Burūj, vers 22
De tweede neerzending vond plaats in Bayt al‑ʿIzzah (Huis van Eer) in de onderste hemel. Uit ḥadīth blijkt dat de gehele Heilige Qur’ān in één nacht naar de onderste hemel is neergezonden. Dit gebeurde in een gezegende nacht.
Al‑Lawḥ al‑Maḥfūẓ is een verheven wereld waarin de lotsbestemming — verleden, heden en toekomst — van de mens door Allāh Ta’ālā is bepaald. Imām Jalāluddīn Suyūṭī schrijft in zijn exegeseboek Jalālayn, p. 496, dat deze Lawḥ (lei) gemaakt is van witte diamant en beschermd wordt tegen de satan. Ibn Kathīr schrijft in zijn exegese van Surah Nūn, hoofdstuk 68 (al‑Qalam), dat de Qalam (pen) waarmee hierop werd geschreven een lengte heeft van honderd hemelse jaren (waarbij duizend aardse jaren gelijkstaan aan één dag in de hemel).
Allāh Ta’ālā openbaart:
إِنَّآ أَنزَلْنَاهُ فِي لَيْلَةٍ مُّبَارَكَةٍ إِنَّا كُنَّا مُنذِرِينَ
“Waarlijk, Wij openbaarden het in een gezegende nacht en Wij zijn de Waarschuwer.” Surah ad-Dukhān (de rook), H44, vers 3
Deze gezegende nacht is Laylatul-Qadr volgens de volgende openbaring:
وَٱلتِّينِ وَٱلزَّيْتُونِ
“Waarlijk, Wij hebben u [de Qur’ān] neergezonden, in de waardevolle nacht.” Surah al-Qadr (de waardevolle nacht), H95, vers 1
Laatste neerzending
De laatste neder zending fase is het neerdalen van de Heilige Qur’ān in het hart van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ. Deze āyāt en suwār werden gebracht door de betrouwbare geest, Ḥazrat Jibrāʾīl (ʿalayhis salām). Dit blijkt uit de volgende verzen.
نَزَلَ بِهِ ٱلرُّوحُ ٱلأَمِينُ
عَلَىٰ قَلْبِكَ لِتَكُونَ مِنَ ٱلْمُنْذِرِينَ
“De Heilige Geest [Gabriel] heeft het neder gebracht. In uw hart, opdat je de waarschuwer moogt zijn.” Surah as-Shu’arā (de dichters), H26, verzen 193-194
In welke taal is de Heilige Qur’ān geopenbaard, hierover zegt Allāh Ta’ālā:
بِلِسَانٍ عَرَبِيٍّ مُّبِينٍ
“In duidelijke Arabische taal.” Surah as-Shu’arā (de dichters), H26, vers 195
3. Reden van de afzonderlijke en gefaseerde openbaringen
Volgens de Schriftgeleerden was de bedoeling van de afzonderlijke neerzending als volgt:
- Het versterken van het gemoed van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, zoals blijkt uit: “En verdraag met geduld alles wat zij [de ongelovigen] zeggen; en verlaat hen op gepaste wijze.” Surah al‑Muzzammil, vers 10.
- “Laat daarom hun spraak u niet verdrieten. Voorwaar, Wij weten wat zij verbergen en wat zij tonen.” Surah Yāsīn, vers 76.
- Het vergemakkelijken van het uit het hoofd leren en begrijpen van de Heilige Qur’ān.
- Het versterken van de īmān van de moslims en het bekeren van andersdenkenden en niet‑gelovigen van Quraysh tot de Islam.
- Het zorgen voor de opbouw en geleidelijke vorming van de islamitische samenleving.
Kenmerken van de openbaringen
- De Heilige Qur’ān is in de maand Ramaḍān geopenbaard. (Qur’ān 2:185)
- De Heilige Qur’ān is in de nacht van Laylat al‑Qadr geopenbaard. (Qur’ān 97:1)
- De Heilige Qur’ān is op een maandag, de 21e van Ramaḍān, geopenbaard. (ḥadīth)