1. Betekenis van het woord “Qur’ān”
De Woorden van de Heilige Qur’ān zijn in het Arabisch en door Allāh Ta’ālā aan de Pen gedicteerd, die ze vervolgens in de nacht van Shab‑e‑Barā’at opschreef op het tablet Lawḥ al‑Maḥfūẓ. Echter, Allāh Ta’ālā heeft deze Woorden Zelf naast elkaar gezet; geen enkel mens heeft ze gearrangeerd. Hiermee is duidelijk geworden dat de Heilige Qur’ān geen schepping is.
Het woord Qur’ān is een verbaal zelfstandig naamwoord en is gelijk in betekenis aan qirāʾah; beide komen voort uit het werkwoord qarāʾa, wat “lezen” betekent. Kortom, de Heilige Qur’ān betekent letterlijk “lezen” of “reciteren”.
Allāh Ta’ālā leert ons copyright — Hij leert ons dat alleen Hij het auteursrecht op de Heilige Qur’ān bezit. De Heilige Qur’ān is in zeven letters (dialecten) geopenbaard om de verschillende volksstammen tegemoet te komen; daarom bestaan er ook zeven qirāʾāt‑wijzen.
Allāh Ta’ālā openbaart
إِنَّ عَلَيْنَا جَمْعَهُ وَقُرْآنَهُ
Het verzamelen en het verkondigen er van rust op Ons. Surah al-Qiyāmah (de wederopstanding) H75, vers 17
Tafsīr al‑Jalālayn: Het is zeker voor Ons om het in jouw borst samen te brengen [o Profeet ﷺ] en het te laten reciteren — het reciteren ervan dat uit jouw tong zal voortvloeien.
فَإِذَا قَرَأْنَاهُ فَٱتَّبِعْ قُرْآنَهُ
Wanneer Wij dus [de Openbaring] verkondigd hebben volg dan de verkondiging. Surah al-Qiyāmah (de wederopstanding), H75, vers 18
Tafsīr al‑Jalālayn: De Woorden die door Allāh Ta’ālā in het gezegende hart van de Profeet Mohammed ﷺ waren geïnspireerd, door hem werden uitgesproken in Arabisch, zijn niet opgenomen in de Heilige Qur’ān. Deze woorden worden ḥadīth al-Qudsī genoemd. Woorden in de Heilige Qur’ān gerangschikt door Allāh Ta’ālā daalden af in āyat. Een engel genaamd Jibrāʾīl (Gabriel) reciteerde de āyat met deze Woorden en letters, en Profeet Mohammed ﷺ hoorde ze door zijn gezegende oren, memoreerde ze en reciteerde ze onmiddellijk aan zijn metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum). Allāh Ta’ālā stuurde de Heilige Qur’ān in de taal van de Quraysh stam.
Allah Ta’ālā openbaart
وَبِٱلْحَقِّ أَنْزَلْنَاهُ وَبِٱلْحَقِّ نَزَلَ وَمَآ أَرْسَلْنَاكَ إِلاَّ مُبَشِّراً وَنَذِيراً
“En in wezen hebben Wij Qur’ān neergezonden met waarheid en in wezen is het nedergedaald voor waarheid en Wij zenden u (profeet Mohammed) niet, doch als drager van goede boodschap en als waarschuwer.” Surah al-Isrāʾ (de nachtelijke tocht) H17, vers 105
Het boek Radd‑ul‑Muḥtār zegt over het onderwerp ʿeed in het derde deel: “Zoals geschreven staat in Fatḥ‑ul‑Qadīr, heeft Allāh Ta’ālā de Woorden en letters gezonden die in de Heilige Qur’ān staan. De betekenis van deze Woorden en letters draagt het Goddelijke Woord. Deze Woorden en letters worden de Qur’ān genoemd. Ook zijn de betekenissen die het Goddelijke Woord aanduiden: de Qur’ān. De Qur’ān, het Goddelijke Woord, is geen schepping. Het is eeuwig in het begin en eeuwig aan het einde, zoals de andere Eigenschappen van Allāh Ta’ālā dat zijn.”
De Qur’ān begon neer te dalen van Lawḥ al‑Maḥfūẓ naar Bayt‑ul‑ʿIzzah in de nacht van Laylat‑ul‑Qadr (de 27e nacht van de maand Ramaḍān), en van daaruit bleef zij drieëntwintig jaar lang neerdalen op het hart van de Profeet ﷺ.
Wat betreft de Tawrāh (het Boek dat neerdaalde tot Ḥazrat Mūsā), de Injīl (de Bijbel), en alle andere Boeken en heilige Ṣuḥuf (pagina’s): elk van hen daalde als een geheel neer, allemaal in één keer. Zij leken op menselijke woorden en waren geen wonderen. Daarom raakten zij verontreinigd en veranderden zij al snel. Maar de Heilige Qur’ān is een van de grootste wonderen van de Profeet Mohammed ﷺ en is anders dan menselijke woorden. Deze details zijn uitvoerig beschreven in de honderdste memo, deel 3, van Maktūbāt door Imām Rabbānī, en in de boeken Hujjatullāh al‑ʿĀlamīn en Sharḥ‑e‑Mawāhib, deel 5, door Imām Zurqānī.
Wat betreft de Tawrāh (het Boek dat neerdaalde tot Ḥazrat Mūsā), de Injīl (de Bijbel), en alle andere Boeken en heilige Ṣuḥuf (pagina’s): elk van hen daalde als een geheel neer, allemaal in één keer. Zij leken op menselijke woorden en waren geen wonderen. Daarom raakten zij verontreinigd en veranderden zij al snel. Maar de Heilige Qur’ān is een van de grootste wonderen van de Profeet Mohammed ﷺ en is anders dan menselijke woorden. Deze details zijn uitvoerig beschreven in de honderdste memo, deel 3, van Maktūbāt door Imām Rabbānī, en in de boeken Hujjatullāhi al‑ʿĀlamīn en Sharḥ‑e‑Mawāhib, deel 5, door Imām Zurqānī.
In Tazkirāt‑ul‑Anbiyāʾ staat dat er 300 Boeken zijn neergezonden op Rasūl (senior profeten), en dat de overige profeten (Anbiyāʾ) Ṣuḥuf ontvingen. In al‑Jalālayn, p. 366, staat dat er 104 Ṣuḥuf (kennisgevingen), 100 Geschriften en 4 Boeken zijn. In Tafsīr Naʿīmī, deel 2, p. 170, staat dat er 50 Geschriften aan Profeet Shīth, 30 aan Profeet Idrīs en 10 aan Profeet Ibrāhīm (ʿalayhim as‑salātu wa‑salām) zijn neergezonden.
2. Er zijn redenen waarom de maand Ramaḍān zeer aanzienlijk is.
- De neerzending van de Tawrāh vond plaats op 6 Ramaḍān (al‑Itqān, dl. 1, p. 55).
- De neerzending van de Zabūr vond plaats op 18 Ramaḍān (al‑Itqān, dl. 1, p. 55). De Zabūr werd 482 jaar na de Tawrāh neergezonden (Jalālayn, p. 496).
- De neerzending van de Injīl vond plaats op 13 Ramaḍān (al‑Itqān, dl. 1, p. 55) of op 18 Ramaḍān (al‑Bidāyah wa al‑Nihāyah, dl. 2, p. 78). De Injīl werd 1050 jaar na de Zabūr neergezonden (al‑Bidāyah wa al‑Nihāyah, dl. 2, p. 78).
- De neerzending van de Heilige Qur’ān vond plaats in de 27e nacht van Ramaḍān, naar Bayt‑ul‑Maʿmūr (al‑Itqān, dl. 1, p. 35). De Heilige Qur’ān werd gedurende tweeëntwintig jaar en enkele maanden neergezonden.
Allah Ta’ālā openbaart
شَهْرُ رَمَضَانَ ٱلَّذِيۤ أُنْزِلَ فِيهِ ٱلْقُرْآنُ هُدًى لِّلنَّاسِ وَبَيِّنَاتٍ مِّنَ ٱلْهُدَىٰ وَٱلْفُرْقَانِ فَمَن شَهِدَ مِنكُمُ ٱلشَّهْرَ فَلْيَصُمْهُ وَمَن كَانَ مَرِيضاً أَوْ عَلَىٰ سَفَرٍ فَعِدَّةٌ مِّنْ أَيَّامٍ أُخَرَ يُرِيدُ ٱللَّهُ بِكُمُ ٱلْيُسْرَ وَلاَ يُرِيدُ بِكُمُ ٱلْعُسْرَ وَلِتُكْمِلُواْ ٱلْعِدَّةَ وَلِتُكَبِّرُواْ ٱللَّهَ عَلَىٰ مَا هَدَاكُمْ وَلَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ
“De maand Ramaḍān is die, waarin de Qur’ān als een richtsnoer voor de mensen werd neergezonden als duidelijke bewijs van leiding en onderscheid. Wie daarom deze maand beleeft, laat hem daarin vasten. Maar wie ziek of op reis is, een aantal andere dagen. Allah wenst gemak voor jou en geen ongemak, en opdat je het aantal zult voltooien en opdat je Allāh’s grootheid zult prijzen, omdat Hij je terecht heeft geleid en opdat je dankbaar zult zijn.” Soera al-Baqarah (de koe), hoofdstuk 2, vers 185
Ḥazrat Jibrāʾīl (ʿalayhis salām) kwam één keer per jaar om de Heilige Qur’ān te reciteren, die van Lawḥ al‑Maḥfūẓ was neergedaald naar de eerste hemel, Bayt‑ul‑ʿIzzah, en vervolgens in deze volgorde op het hart van de Profeet ﷺ. De Profeet ﷺ luisterde ernaar en herhaalde het. In het jaar waarin hij (de Profeet ﷺ) het Hiernamaals binnenging, kwam Jibrāʾīl twee keer en reciteerde de Qur’ān in haar geheel.
De Profeet Mohammed ﷺ en de meerderheid van zijn Aṣḥāb memoriseerden de gehele Heilige Qur’ān. Sommige van de Aṣḥāb memoriseerden een aantal gedeelten ervan en schreven de overige gedeelten op.
De Heilige Qur’ān werd in 610 n. Chr. aan de Heilige Profeet Mohammed ﷺ geopenbaard en bestaat uit 114 suwār (meervoud van surah = hoofdstuk). In deze hoofdstukken komen onder andere passages voor over de geloofsleer, ʿibādah (godsdienstige devoties), muʿāmalāt (sociale relaties), geschiedenis, ethiek, verhalen van de profeten, en commerciële en militaire activiteiten.
Qur’ān betekent voorlezen of reciteren, hierover openbaart Allāh Ta’ālā:
إِنَّ عَلَيْنَا جَمْعَهُ وَقُرْآنَهُ
فَإِذَا قَرَأْنَاهُ فَٱتَّبِعْ قُرْآنَهُ
“Het verzamelen en het verkondigen er van rust op Ons. Wanneer Wij dus [de Openbaring] verkondigd hebben volg dan de verkondiging.” Surah Qiyāmah (de wederopstanding), H75, verzen 17-18
Uitleg in Kanz‑ul‑Imān van Ālāḥazrat: “Ongetwijfeld, het is aan Ons om het te verzamelen en te reciteren. Dus, zodra Wij het hebben gereciteerd, volg dan het voorgelezen na.”
De uṣūliyyūn en fuqahāʾ hebben de volgende definitie gegeven van de Qur’ān: “De Qur’ān is het Woord dat niet kan worden geïmiteerd, dat is geopenbaard aan de Heilige Profeet ﷺ, dat is neergeschreven in masāḥif (codices), dat van generatie op generatie is overgeleverd langs de weg van een ononderbroken keten van overleveraars, en door de recitatie waarvan de handelingen van devotie worden verricht.”
De definitie van de Qur’ān‑wetenschappen luidt als volgt: het is een verzameling studies over de Qur’ān vanuit verschillende aspecten van de openbaring, waaronder de rangschikking van verzen en hoofdstukken, de verzameling van tekstgedeelten in één codex, het neerschrijven en reciteren van de Qur’ān, de tafsīr (exegese), de studie van haar ‘onnavolgbare schoonheid’, de studie van de gedeelten die ‘opheffen’ en die ‘opgeheven zijn’, en andere thema’s die de bekende geleerde Jalāluddīn Suyūṭī (raḍiyAllāhu ʿanhu) in zijn boek al‑Itqān fī ʿUloom al‑Qur’ān — een meesterwerk in de Qur’ān‑wetenschappen — heeft opgesomd.
In al‑Itqān fī ʿUloom al‑Qur’ān staat dat de Qur’ān vijfenvijftig namen heeft, zoals: al‑Kitāb (het Boek), al‑Furqān (het Criterium), al‑Karīm (Eerbiedwaardig) en al‑Mubārak (Gezegend). Het meest gangbare woord in de Heilige Qur’ān is het woord Qur’ān, dat terug te vinden is in Surah al‑Isrāʾ.
Allāh Ta’ālā openbaart
إِنَّ هَـٰذَا ٱلْقُرْآنَ يَهْدِي لِلَّتِي هِيَ أَقْوَمُ وَيُبَشِّرُ ٱلْمُؤْمِنِينَ ٱلَّذِينَ يَعْمَلُونَ ٱلصَّالِحَاتِ أَنَّ لَهُمْ أَجْراً كَبِيراً
“Voorzeker, deze Qur’ān voert tot datgene wat juist is; en geeft aan gelovigen die goede werken verrichten de blijde tijding, dat zij een grote beloning zullen ontvangen.” Surah al-Isrāʾ’ (de nachtelijke tocht), H17, vers 9
De glorieuze Qur’ān is het Woord van Allāh Ta’ālā, dat geopenbaard is aan en neergezonden (Nuzūl al‑Qur’ān) op de Heilige Profeet Mohammed ﷺ.
Allāh Ta’ālā openbaart
وَبِٱلْحَقِّ أَنْزَلْنَاهُ وَبِٱلْحَقِّ نَزَلَ وَمَآ أَرْسَلْنَاكَ إِلاَّ مُبَشِّراً وَنَذِيراً
“En voorwaar, Wij hebben dit geopenbaard en met waarheid is het neergedaald. En Wij hebben u slechts als een brenger van blijde tijdingen en als waarschuwer gezonden.” Surah al-Isrāʾ’ (de nachtelijke tocht), H17, vers 105
Uitleg in Kanz‑ul‑Imān van Ālāḥazrat: “En in wezen hebben Wij de Qur’ān neergezonden met waarheid, en in wezen is zij neergedaald met waarheid. En Wij zenden u (Profeet Mohammed ﷺ) niet anders dan als brenger van blijde tijding en als waarschuwer.”
De Heilige Qur’ān is het meest verheven Kitāb van de eerdere Boeken (Zabūr, Tawrāh en Injīl). De Profeet ﷺ leerde de Heilige Qur’ān aan meer dan 100.000 Ṣaḥābah‑e‑Kirām, van wie ruim 10.000 de Qur’ān uit het hoofd kenden (Huffāz).
3. Analyse van de Heilige Qur’ān
- 114 hoofdstukken
- 77.934 woorden (Imam Jalāluddīn as-Suyūṭī, al-Itqān fi ʿUloom al-Qur’ān)
- 6.616 verzen (tafsīr Ibn Abbās)
- 6.666 verzen (Zamakhsharī, Ibn Huzayma, enzovoorts) op basis van de volgende telling:
- 1.000 verzen over veelbelovende (wa’ad)
- 1.000 verzen over dreiging (wa’id)
- 1.000 verzen over Gebod (amr)
- 1.000 verzen over Verbod (nahy)
- 1.000 verzen over informatie en verhalen
- 1.000 verzen over waarschuwing en voorbeeld
- 500 verzen over de uitspraak
- 100 verzen over de aanroeping en verheerlijking van Allah Ta’ālā
- 66 verzen over “nāsikh en mansūkh” (“de intrekking en ingetrokken”)
6.666 verzen. (Allah Ta’ālā weet het beter)
4. 114 soera’s en 6.236 verzen in Heilige Qur’ān (telling in Kanz-ul-Imān).
Het is ook vermeld dat het aantal āyāt soms meer of minder was dan 6.236. Deze verschillen zijn afkomstig uit het feit dat één lange āyah door sommige geleerden werd beschouwd als meerdere korte āyāt, of dat meerdere korte āyāt als één lange āyah werden gezien. Ook komt het voor dat de Basmala’s vóór de suwār door sommige geleerden werden gerekend als onderdeel van de surah, terwijl anderen ze als onafhankelijke verzen beschouwden. Gedetailleerde informatie hierover staat in het boek Bustan‑ul‑ʿĀrifīn.
Abū al‑Qāsim Maḥmūd ibn ʿUmar al‑Zamakhsharī (1074/1075–1143/1144) was een middeleeuwse islamitische geleerde van Iraanse afkomst, behorend tot de Muʿtazilī‑theologische stroming. Hij werd geboren in Khwārizm, maar woonde het grootste deel van zijn leven in Buchara, Samarkand en Bagdad.
Abū Bakr Muḥammad ibn Isḥāq ibn Khuzaymah (837 CE / 223 AH – 923 CE / 311 AH) was een prominente muḥaddith en een Shāfiʿī‑fiqhgeleerde.
5. Laatste openbaring door Allāh Ta’ālā aan de Profeet ﷺ
حُرِّمَتْ عَلَيْكُمُ ٱلْمَيْتَةُ وَٱلْدَّمُ وَلَحْمُ ٱلْخِنْزِيرِ وَمَآ أُهِلَّ لِغَيْرِ ٱللَّهِ بِهِ وَٱلْمُنْخَنِقَةُ وَٱلْمَوْقُوذَةُ وَٱلْمُتَرَدِّيَةُ وَٱلنَّطِيحَةُ وَمَآ أَكَلَ ٱلسَّبُعُ إِلاَّ مَا ذَكَّيْتُمْ وَمَا ذُبِحَ عَلَى ٱلنُّصُبِ وَأَنْ تَسْتَقْسِمُواْ بِٱلأَزْلاَمِ ذٰلِكُمْ فِسْقٌ ٱلْيَوْمَ يَئِسَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ مِن دِينِكُمْ فَلاَ تَخْشَوْهُمْ وَٱخْشَوْنِ ٱلْيَوْمَ أَكْمَلْتُ لَكُمْ دِينَكُمْ وَأَتْمَمْتُ عَلَيْكُمْ نِعْمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ ٱلإِسْلٰمَ دِيناً فَمَنِ ٱضْطُرَّ فِي مَخْمَصَةٍ غَيْرَ مُتَجَانِفٍ لإِثْمٍ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ
“Verboden is u het gestorvene, het bloed en het varkensvlees en al waarover een andere naam dan die van Allāh is aangeroepen; hetgeen is geworgd en is doodgeslagen en hetgeen is doodgevallen of hetgeen door de horens van dieren is gedood en hetgeen door een wild beest is aangevreten, behalve wat gij hebt geslacht. Verder hetgeen voor afgoden is geslacht en wat gij loot door pijlen, dit is een overtreding. Heden zullen de ongelovigen aan uw godsdienst wanhopen. Vreest dus niet hen, maar Mij. Nu heb Ik uw godsdienst voor u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooit en de Islam voor u als godsdienst gekozen. Maar wie door honger wordt gedwongen zonder dat hij tot de zonde is geneigd, voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.” Surah al-Māʾidah (de tafel), H5, vers 3
Tafsīr Jalālayn: “Verboden voor jullie is aas — dat wil zeggen de consumptie ervan — en bloed dat is vergoten, zoals vermeld in Surah al‑Anʿām: ‘Zeg: Ik vind in hetgeen mij is geopenbaard niets dat een eter verboden is te eten, behalve het gestorvene, of vloeiend bloed, of varkensvlees, want dit alles is onrein; of wat in overtreding is, waarover een andere naam dan Allāh’s is aangeroepen. Maar wie door noodzaak wordt gedreven, zonder begerig te zijn en zonder de grens te overschrijden: uw Heer is dan voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.’ (H6:145)
En verboden is het vlees van het varken, en wat is geheiligd aan anderen dan Allāh Ta’ālā — in de zin dat het werd geofferd in de naam van iets anders dan Hij. Eveneens verboden zijn: het dier dat door verstikking is gestorven, het dier dat doodgeslagen is, het dier dat door een val van een hoogte is gestorven, het dier dat door een ander dier is gedood, en datgene waarvan roofdieren hebben gegeten — behalve wanneer jullie het nog levend aantreffen en het vervolgens naar behoren slachten.
Verboden is ook wat is geofferd in de naam van afgoden (nuṣub, meervoud van nuṣāb), en dat jullie delen door middel van pijlen waarmee men een uitspraak of beslissing zocht. Een qidh is een kleine pijl zonder veren of punt. Er waren zeven van deze pijlen, gemarkeerd met tekens, en zij werden bewaard door de bewaarder van de Kaʿbah. Men gebruikte ze voor beslissingen: wanneer zij een bevel aangaven, gehoorzaamde men; wanneer zij verboden, stopte men. Dit is slechtheid — een rebellie tegen gehoorzaamheid.
Op de Dag van ʿArafāt, in het jaar van de Afscheidsbedevaart, werd het volgende geopenbaard: “Vandaag hebben de ongelovigen de hoop opgegeven dat jullie van jullie religie zouden afvallen, want zij zagen haar kracht. Wees daarom niet bang voor hen, maar vrees Mij. Vandaag heb Ik jullie religie voor jullie vervolmaakt — dat wil zeggen: na dit vers is niets meer geopenbaard over wat wettig of onwettig is — en Ik heb Mijn gunst aan jullie voltooid door jullie religie te perfectioneren. Sommigen zeggen dat dit ook verwijst naar hun veilige toegang tot Mekka. En Ik heb de Islam voor jullie als religie goedgekeurd.
Maar wie door honger wordt gedwongen om iets te consumeren dat hem verboden is, en het consumeert zonder opzettelijk geneigd te zijn tot ongehoorzaamheid, dan vergeeft Allāh Ta’ālā hem — Hij is Genadevol jegens hem door het in dat geval toe te staan. Dit in tegenstelling tot degene die opzettelijk geneigd is tot zonde, degene die er actief mee bezig is, zoals een belager of een misdadiger: voor hem blijft dergelijke consumptie verboden.”