1. Taqsīm al‑Suwār ilā Makkī wa Madīnī

De hoofdstukken van de Heilige Qur’ān worden traditioneel onderscheiden in Makkī en Madīnī. Al‑Suyūṭī, J. (2008). Al‑Itqān fī ʿUloom al‑Qur’ān. Beirut: Dār al‑Fikr.

De Makkī‑hoofdstukken zijn die verzen en hoofdstukken die vóór de Hijrī‑emigratie van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ in Mekka werden geopenbaard. Zij kenmerken zich door krachtige oproepen tot tawḥīd, morele zuivering, waarschuwingen aan de ongelovigen en beschrijvingen van vroegere Profeten. De Madīnī‑hoofdstukken daarentegen werden na de emigratie in Medina geopenbaard en bevatten vooral juridische bepalingen, regels voor de gemeenschap, voorschriften over huwelijk, erfrecht, strafrecht en aanwijzingen voor de organisatie van de islamitische samenleving. Dit onderscheid helpt bij het begrijpen van de context, de ontwikkeling van de openbaring en de geleidelijke opvoeding van de vroege moslimgemeenschap.

2. Stijl en inhoud

Een deel van de Heilige Qur’ān — namelijk 86 hoofdstukken — werd in Mekka geopenbaard, en de overige 28 hoofdstukken werden in Medina geopenbaard.

Onder de moslimgeleerden circuleren drie definities van de geopenbaarde hoofdstukken.

De eerste definitie stelt dat alle hoofdstukken die in Mekka zijn geopenbaard — inclusief die welke na de emigratie van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ naar Medina zijn neergezonden — als Makkī worden beschouwd, terwijl Madīnī verwijst naar alle hoofdstukken die in Medina zijn geopenbaard.

Deze definitie is echter niet krachtig, omdat er ook verzen zijn geopenbaard buiten de steden Mekka en Medina. Dit blijkt uit het volgende āyah (vers):

“Als het een onmiddellijke winst en een korte reis was geweest, zouden zij u zeker zijn gevolgd, maar de vermoeiende reis scheen hun te lang.”

Toch willen zij bij Allāh zweren:

لَوْ كَانَ عَرَضاً قَرِيباً وَسَفَراً قَاصِداً لاَّتَّبَعُوكَ وَلَـٰكِن بَعُدَتْ عَلَيْهِمُ ٱلشُّقَّةُ وَسَيَحْلِفُونَ بِٱللَّهِ لَوِ ٱسْتَطَعْنَا لَخَرَجْنَا مَعَكُمْ يُهْلِكُونَ أَنْفُسَهُمْ وَٱللَّهُ يَعْلَمُ إِنَّهُمْ لَكَاذِبُونَ 

“Als wij ertoe in staat waren geweest, zouden wij zeker met u zijn gegaan.” Zij doen hun ziel te gronde gaan en Allāh weet dat zij leugenaars zijn.” Surah at-Taubah (berouw), H9, vers 42

De tweede definitie volgens de moslimgeleerden stelt dat de hoofdstukken die oorspronkelijk gericht waren tot de Mekkanen de woorden Yā Ayyuhannās (“O mensen!”) bevatten, terwijl de hoofdstukken die in Medina zijn geopenbaard de woorden Yā Ayyuhalladhīna Āmanū (“O gelovigen!”) bevatten.

De derde definitie betreft de openbaringen die in Mekka zijn neergezonden vóór de Hijrī‑emigratie van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ naar Medina.

Concluderend is de derde definitie de meest aanvaardbare.

3. Het nut van het onderscheid tussen de Mekka- en Medina-hoofdstukken

Het nut van het onderscheid tussen de Makkī- en Madīnī‑hoofdstukken ligt in de kennis die wordt verkregen over de nāsikh (opheffende) en mansūkh (opgeheven) verzen. Hiervan is sprake wanneer twee of meer verzen over hetzelfde onderwerp gaan en binnen dezelfde context lijken te staan. Daarnaast verschaft dit onderscheid inzicht in de wijze waarop de islamitische gemeenschap geleidelijk werd opgevoed en gevormd. Al‑Suyūṭī, J. (2008). Al‑Itqān fī ʿUloom al‑Qur’ān.

4. De onderscheidingscriteria tussen Mekka en Medina hoofdstukken

In beginsel zijn de moslimgeleerden het erover eens dat het primaire onderscheid tussen Makkī- en Madīnī‑hoofdstukken door de Ṣaḥābah van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ kan worden gemaakt, omdat zij zelf getuigen waren van de plaatsen en omstandigheden van openbaring. Al‑Ṭabarī, M. (2001). Jāmiʿ al‑Bayān.

Volgens de moslimgeleerden hebben de Makkī‑hoofdstukken de volgende kenmerken:

  1. De vijftien hoofdstukken waarin het woord kallā (“maar neen!”) in totaal drieëndertig keer voorkomt. Deze hoofdstukken bevinden zich in de tweede helft van de Heilige Qur’ān. Al‑Suyūṭī – Al‑Itqān
  2. Elke Surah waarbij het woord sajdah (prosternatie) in de marge staat aangegeven. Al‑Qurṭubī – Al‑Jāmiʿ li Aḥkām al‑Qur’ān
  3. Elke Surah waarvan het begin aanvangt met losse Arabische letters (ḥurūf muqaṭṭaʿāt), behalve Surah al‑Baqarah (H2) en Surah Āl ʿImrān (H3), die Madīnī zijn. Over Surah ar‑Raʿd (H13) bestaat meningsverschil. Al‑Rāzī – Mafātīḥ al‑Ghayb
  4. Suwār die verhalen over de Profeten bevatten, behalve Surah al‑Baqarah.
  5. Elke Surah waarin iets wordt vermeld over Profeet Ādam (ʿalayhis salām) en Iblīs (Satan), behalve Surah al‑Baqarah. Al‑Ṭabarī – Jāmiʿ al‑Bayān

Volgens de moslimgeleerden hebben de Madīnī‑hoofdstukken de volgende kenmerken:

  1. Elke Surah die al‑ḥudūd (strafzaken) behandelt, zoals diefstal, overspel en erfrecht. Al‑Qurṭubī – Al‑Jāmiʿ li Aḥkām al‑Qur’ān
  2. Elke Surah waarin toestemming wordt gegeven voor jihād (heilige strijd).
  3. Hoofdstukken waarin melding wordt gemaakt van al‑munāfiqūn (huichelaars), behalve de Makkī‑Surah al‑ʿAnkabūt (H29), waarvan de eerste zeven āyāt Madīnī zijn.

 

Passage

Bron (Sunni‑klassiek, APA)

Inleiding Makkī/Madīnī

Al‑Suyūṭī – Itqān

86/28 hoofdstukken

Al‑Qattān – Mabāḥith

Eerste definitie

Al‑Zarkashī – Burhān

Bewijs At‑Taubah 9:42

Ibn Kathīr – Tafsīr

Tweede definitie

Al‑Suyūṭī – Itqān

Derde definitie

Al‑Qattān – Mabāḥith

Nut (nāsikh/mansūkh)

Al‑Suyūṭī – Itqān

Rol Ṣaḥābah

Al‑Ṭabarī – Jāmiʿ al‑Bayān

Makkī kenmerken

Itqān / Qurṭubī / Rāzī / Ibn Kathīr / Ṭabarī

Madīnī kenmerken

Qurṭubī / Ibn Kathīr / Itqān