1. Profetische Waarschuwing tegen Subjectieve Qur’ān‑uitleg

De Profeet Mohammed ﷺ zei: “Als een mens de Heilige Qur’ān uitlegt volgens zijn eigen mening, laat hem dan zijn verblijfplaats zoeken in de hel.” De geest van deze ḥadīth is dat de Heilige Qur’ān moet worden geïnterpreteerd volgens de uitspraken en daden van de Profeet Mohammed ﷺ. Er ontstaat verschil wanneer men gelooft dat er geen betekenis van de Heilige Qur’ān is behalve de open, uiterlijke betekenis. De betekenis van de Heilige Qur’ān is echter breed voor de wijzen.

Ḥazrat ʿAlī (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei: “Allāh heeft Zijn dienaar het begrip van de Heilige Qur’ān gegeven. Als dit begrip niet mogelijk zou zijn zonder de tafāsīr van de vroege stadia, wat is dan de betekenis van dit begrip?” De Profeet Mohammed ﷺ zei: “Voorzeker, de Heilige Qur’ān heeft een open betekenis, een verborgen betekenis, grenzen en verschillende niveaus.”

2. Welke Woorden kunnen als een vloek werken?

Allah Ta’ālā openbaart:

 وَيَجْعَلُونَ لِلَّهِ ٱلْبَنَاتِ سُبْحَانَهُ وَلَهُمْ مَّا يَشْتَهُونَ

“En zij schrijven dochters aan Allāh toe (Heilig is Hij) en zichzelf wat zij wensen [zonen].” Surah an-Nahl (de bij), H16, vers 57

Tafsīr Jalālayn: “En zij schrijven Allāh Ta’ālā dochters toe door te beweren dat de engelen de dochters van Allāh Ta’ālā zijn (Heilig is Hij!), een verklaring die aangeeft dat Hij verheven is boven hetgeen zij beweren, terwijl zij voor zichzelf verkrijgen wat zij wensen, namelijk zonen.

De betekenis is dat zij dochters toewijzen aan Degene (Allāh Ta’ālā) van Wie zij zelf afkerig zijn, terwijl Hij in elk geval Verheven is boven het hebben van nakomelingen. Tegelijkertijd wijzen zij aan zichzelf zonen toe, naar eigen voorkeur, zodat het beste exclusief voor hen is.”

وَإِذَا بُشِّرَ أَحَدُهُمْ بِٱلأُنْثَىٰ ظَلَّ وَجْهُهُ مُسْوَدّاً وَهُوَ كَظِيمٌ

“En wanneer aan één hunner [de geboorte] van een meisje wordt gemeld, verduistert zijn gezicht en hij is vol toorn. Surah an-Nahl (de bij), H16, vers 58

Tafsīr Jalālayn: “En wanneer een van hen het bericht krijgt dat er een meisje bij hem zal worden geboren, wordt zijn gezicht donker — getransformeerd zoals dat van iemand die plotseling door verdriet wordt getroffen — en hij verstikt innerlijk, gevuld met angst. Hoe komt het dan dat zij dochters toeschrijven aan Allāh Ta’ālā? De mannen wilden immers alleen zonen krijgen met hun vrouwen.”

Ḥazrat ʿAlī (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei: “Als ik zou willen, zou ik zeventig kamelen kunnen laden met tafsīr van het hoofdstuk Fātiḥah.” Wat betekent dit? Ḥazrat Abū Dardāʾ (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei: “Niemand kan faqīh zijn totdat hij de Heilige Qur’ān in haar verschillende vormen accepteert.”

3. De Gelaagdheid van Qur’ān‑uitleg en de Weg naar Ware Begrip

Een zekere geleerde zei: “Er zijn zestig betekenissen voor elk vers.” Een andere geleerde zei: “De Heilige Qur’ān omvat 77.200 leringen, aangezien elk woord een lering is en het vier keer wordt verhoogd. Elk woord heeft zijn uiterlijke en innerlijke betekenissen, en kent hoge, hogere en hoogste treden. De Profeet Mohammed ﷺ heeft eens twintig keer Bismillāh gereciteerd. Met welk doel werd het herhaaldelijk gelezen, behalve vanwege zijn innerlijke betekenis?”

Ḥazrat Ibn Masʿūd (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei: “Wie kennis wil verkrijgen over de vroegere en toekomstige volkeren, moet nadenken over de Heilige Qur’ān. Dit wordt niet uitsluitend verworven door uiterlijke tafāsīr.” al‑ākim, al‑Mustadrak, 1/93; al‑Baihāqi, Shuʿab al‑Īmān, 2/476.

De Heilige Qur’ān spreekt over Zijn heerlijkheid en macht, die onbeperkt zijn. Daarom is de uitleg van de Heilige Qur’ān onbeperkt. De Profeet Mohammed ﷺ zei: “Lees de Heilige Qur’ān en zoek naar de onbekende zaken.” al‑Ṭabarānī, al‑Muʿjam al‑Kabīr, 11/98; al‑Daylamī, Musnad al‑Firdaws, nr. 3120.

De Profeet Mohammed ﷺ zei over Ḥazrat ʿAlī (raḍiyAllāhu ʿanhu): “Bij Degene Die mij met de waarheid heeft gezonden: mijn volgelingen zullen verdeeld worden in drieënzeventig sekten in zaken van de fundamentele principes van religie en de gemeenschap. Elke sekte zal misleid zijn en naar de hel gaan. Wanneer dit gebeurt, houd dan vast aan het Boek van Allāh, want het bevat de verhalen van jullie voorgangers en opvolgers, en de beslissingen over jullie meningsverschillen. Wie tegen het Boek van Allāh ingaat onder de vernieuwers, zal door Allāh gestraft worden. Wie zijn zoektocht richt op iets anders dan de Heilige Qur’ān, zal door Hem misleid worden. De Heilige Qur’ān is de stevigste band, het heldere licht, en een genezing die ten goede komt. Wie haar stevig vasthoudt, wordt beschermd. Wie haar volgt, vindt redding. De wonderen van de Heilige Qur’ān raken nooit uitgeput en zij wordt nooit oud door herhaalde recitatie.” al‑Dārimī, Sunan, Muqaddimah, 2/431; al‑Baihāqi, Shuʿab al‑Īmān, 2/476.

Toen de Profeet Mohammed ﷺ aan Huzayfa (raḍiyAllāhu ʿanhu) vertelde over de verschillende sekten en meningsverschillen, vroeg hij: “O Profeet van Allāh, als ik die tijd meemaak, wat beveelt u mij dan te doen?” Hij zei: “Leer het Boek van Allāh en handel ernaar, want daarin ligt redding.”  Abū Dāwūd, Sunan, 4597, al‑Tirmidhī, Sunan, 2640,   Ibn Mājah, Sunan, 3991, al‑ākim, al‑Mustadrak, 1/128

Ḥazrat ʿAlī (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei: “Wie de Heilige Qur’ān begrijpt, verwerft alle leringen tezamen.” Hierin ligt een aanwijzing dat de Heilige Qur’ān alle leringen bevat. De Heilige Qur’ān zegt: “Wie wijsheid heeft gekregen, heeft overvloedig goeds gekregen.” al‑Suyūṭī, al‑Durr al‑Manthūr, 1/38.

Ḥazrat Ibn ʿAbbās (raḍiyAllāhu ʿanhu) legde het woord ‘wijsheid’ uit als de kennis van de Heilige Qur’ān. al‑Ṭabarī, Tafsīr, 5/67; al‑Suyūṭī, Durr al‑Manthūr, 1/38.

Allāh zegt: “Ik gaf Sulaymān kennis, wijsheid en lering.” Wat hem gegeven werd, werd wijsheid en lering genoemd. De bijzonderheid die hem werd gegeven, is lering — en deze werd hem gegeven vóór wijsheid.

 

Ḥadīth‑zin

Bron

73 sekten

Abū Dāwūd 4597; Tirmidhī 2640; Ibn Mājah 3991

Vastklampen aan het Boek van Allāh

Tirmidhī 2641

Qur’ān is stevigste band

Dārimī 2/431; Baihāqi 2/476

Advies aan Huzayfa

al‑Ḥākim 1/93

Zoek naar onbekende zaken

Ṭabarānī 11/98; Daylamī nr. 3120

Ibn Masʿūd over kennis

al‑Ḥākim 1/93; Baihāqi 2/476