1 Inleiding
De student leert in deze les dat de jonge profeet Mohammed ﷺ al vroeg bijzondere tekenen van profeetschap vertoonde, zoals begroetingen door stenen en het neerbuigen van bomen. Hij leert hoe de engelen zijn borstkas openden en hem vulden met Goddelijk Licht, en hoe deze gebeurtenissen Halīmah ertoe brachten hem terug te brengen naar zijn moeder. De student ziet vervolgens hoe Mohammed ﷺ op zesjarige leeftijd wees werd na het overlijden van Āmina (raḍiyAllāhu ʿanhā), en daarna werd opgevoed door zijn grootvader Abdul Muṭṭalib en later door zijn oom Abu Ṭālib, die hem liefhad en beschermde. Tot slot leert de student hoe de christelijke priester Buheira in Syrië de tekenen van de laatste Profeet herkende, waaronder de beschermende wolk en de Zegel der Profeten, en hoe deze ontmoeting bevestigde dat Mohammed ﷺ de aangekondigde Profeet was.
2 Vreemde gebeurtenissen
Halīmah’s zonen brachten hun tijd door met het hoeden van schapen en geiten. Iedere ochtend brachten zij de kudde naar de woestijn. Daar aten de dieren de hele dag door gras, terwijl zij van heuvel tot heuvel liepen. De jongens volgden de schapen en hielden ze in de gaten. Toen hun pleegbroer iets ouder werd, namen zij hem ook mee. Met wijdgeopende ogen begon de jonge pleegbroer het boek der natuur te lezen. Hij stelde veel vragen over alles wat hij zag. Hij was enthousiast om alles te weten. Halīmah voelde zich gelukkig: haar kleine jongen groeide op, zowel fysiek als mentaal.
Al spoedig begonnen vreemde gebeurtenissen plaats te vinden. De kinderen van Halīmah merkten op dat hun pleegbroer geen normaal kind was. Er was iets bijzonders met hem aan de hand. Stenen groetten hem als hij langs liep. “Vrede zij met u, o Profeet van Allāh!” hoorden zij stemmen zeggen. Tevergeefs keken zij om zich heen of het iemand anders was. Zij zagen tot in de wijde omgeving niets anders dan steen en zand. Ook zagen zij dat bomen en struiken neerbogen voor de pleegbroer. Deze gebeurtenissen hielden de jongens heel erg bezig.
“Moeder,” zeiden zij op een avond, “bomen en struiken buigen voor Mohammed ﷺ als hij langs loopt en stenen begroeten hem. Wij maken dit vrijwel elke dag mee. Wat betekenen deze dingen?”
“Spreek met niemand over deze dingen,” zei Halīmah. “Jullie pleegbroer is niet zoals andere kinderen. Waak goed over hem, laat niets hem overkomen.”
Op een dag gebeurde iets vreselijks. De jongens waren hun dieren zoals gewoonlijk aan het hoeden. Twee engelen, gekleed in sneeuwwit gewaad, kwamen uit de hemel naar beneden. Zij kwamen naar Mohammed ﷺ. De engelen trokken zijn kleren uit en scheurden zijn borstkas open. Dit maakte de jongens bang. Zij renden huilend naar huis om hulp te halen.
Het nieuws beroerde Halīmah. Zij rende de woestijn in om te zien wat er gebeurd was. Onderweg zag zij de kleine Mohammed ﷺ naar haar toe komen.
“O lieverd!” riep zij. “Wie waren het die jou pijn wilden doen? O lieverd, wie wil mijn lief kindje pijn doen? Laat mij zien of je pijn hebt.”
“Niemand wilde mij pijn doen, moeder. Het waren de engelen. Zij scheurden mijn borstkas open en vulden het met het Goddelijke Licht, maar ik voelde geen pijn. Ik heb geen pijn.”
Halīmah was verbaasd zoiets te horen. Zij was blij dat haar pleegzoon geen pijn leed. Zij kon niet voorkomen trots op hem te zijn. Hij was zo anders dan andere kinderen! Desondanks was zij niet helemaal op haar gemak.
“Wat betekenen deze vreemde gebeurtenissen?” vroeg zij aan zichzelf. “Zeer zeker zal mijn pleegzoon op een dag de trots van zijn land worden. Echter, ik ben een arme vrouw. Ik kan niet meer zo goed op hem passen, nu hij merendeels van de dag buiten doorbrengt. Het is beter als ik hem terugstuur naar zijn moeder.”
Halīmah besprak het met haar man. Hij was het met haar eens. “Ik wenste dat wij hem altijd bij ons konden houden,” zei hij. “Hij heeft ons veel geluk gebracht, maar ik ben bang dat de vreemde gebeurtenissen bekend zullen worden. Sommige slechte mannen kunnen proberen hem pijn te doen. Daarom is het beter dat hij terugkeert naar zijn mensen.”
Āmina was erg blij haar kleine zoon terug te zien. Het verblijf op het platteland had hem goed gedaan. Hij had een stevig lichaam en een perfecte gezondheid. Hij sprak eenvoudig Arabisch van de Banu Sa’d. Hij had de blik van een engel en was vol belofte.
3 De dood van Āmina (raḍiyAllāhu ʿanhā)
Āmina’s man, Abdullah, ligt in Yathrib begraven. Ieder jaar bezocht zij zijn laatste rustplaats. In Yathrib woonden ook sommige families van haar. Zoals gewoonlijk bezocht zij ook dit jaar Yathrib en nam haar kleine zoon mee. Daar bleven zij enige maanden. Vreemde gedachten vulden het geheugen van de jongen als hij naar het graf van zijn vader keek.
“Vader!” riep hij een keer. “Ik vind de stad waar u begraven bent leuk.”
Toen zij terugkeerden naar Mekka, werd Āmina ziek en stierf kort daarna. De andere vrouwen die bij haar waren, brachten haar zoon terug naar Mekka. Op dat moment was hij amper zes jaar oud. Hij was nu een wees geworden.
4 De dood van zijn grootvader
De dood van Āmina was een tragische gebeurtenis voor Abdul Muṭṭalib. De oude man nam de verantwoordelijkheid op zich om de kleine jongen te verzorgen. Naarmate de tijd verstreek begon hij steeds meer van de jongen te houden. Overal waar hij ging, nam hij hem mee.
Als hoofd van de Quraysh‑stam was Abdul Muṭṭalib de heerser van Mekka. Op een dag ontmoetten de Quraysh‑leiders elkaar voor een raadsvergadering in de nabijheid van de Ka’aba, en de oude man wilde in het midden zitten. Iedereen moest op afstand van hem gaan zitten, behalve Mohammed ﷺ, die naast hem zat.
Twee jaar later stierf ook Abdul Muṭṭalib. Hij liet een aantal zonen achter. Abdullah en Abu Ṭālib waren zonen van dezelfde moeder. Voordat de oude man stierf, riep hij Abu Ṭālib bij zich en liet Mohammed ﷺ onder zijn verantwoordelijkheid achter.
5 Een lieve oom
Abu Ṭālib was een lieve oom. Hij hield van zijn neefje, zelfs meer dan van zijn eigen zonen. Hij had goede redenen om bekoorlijk en lief te zijn, want de jongen was buitengewoon aardig en goedgemanierd. Hij zei noch deed ooit iets om anderen te kwetsen, maar probeerde juist behulpzaam te zijn voor zijn oom en andere mensen.
Abu Ṭālib was bij lange na geen rijke man. Hij had een groot gezin. De gezinsleden moesten hard werken om te kunnen overleven. De jongens hielden zich bezig met een kudde geiten en schapen. Zij deden ook andere werkzaamheden. Mohammed ﷺ verrichtte meer werk dan hij kreeg. Hij wilde niet tot last zijn voor zijn oom. Abu Ṭālib zag al gauw in hoe verstandig zijn kleine neef was. Net als zijn vader nam hij de jongen overal mee.
6 Aankomende incidenten werpen een schaduw
Van Abu Ṭālib mocht zijn neef nooit te lang wegblijven. Op dat moment was de jongen twaalf jaar oud. Op een gegeven ogenblik moest zijn oom op zakenreis naar Syrië. De reis zou enkele maanden duren. Het zou een zeer lange en vermoeiende reis worden. Abu Ṭālib wilde zijn neef niet meenemen om hem de ontberingen van de reis te besparen. Daarom besloot hij hem achter te laten in Mekka.
Echter, de jongen was het niet met hem eens. “Ik moet met u meegaan, oom,” zei hij. “Ik kan niet zonder u alleen achterblijven.” Dus nam Abu Ṭālib de jongen met zich mee.
De caravan trok naar Syrië. De felle zon in de woestijn scheen al dagenlang. Een plukje wolk dreef boven zijn hoofd van zonsopgang tot zonsondergang. Deze wolk volgde dezelfde richting als de caravan. Als de caravan pauzeerde, stopte ook de wolk.
In Basra woonde een christelijke priester. Zijn naam was Buheira. Deze priester had kennis van de Geschriften en wist dat de tijd van de laatste Profeet was aangebroken. De wijze oude priester wist wat Isa (Jezus) (ʿalayhis salām) had bedoeld toen hij zei: “Ik heb heel veel dingen aan jullie te vertellen, maar jullie kunnen het nu nog niet aanhoren. Zodra de Geest van de Waarheid zal komen, zal hij jullie leiden naar de absolute Waarheid.”
De priester wist ook dat de beloofde Profeet omstreeks die tijd al in Basra moest zijn aangekomen. Daarom klom hij elke ochtend op het dak van zijn huis en tuurde van dageraad tot schemering naar de horizon.
Uiteindelijk zag Buheira de caravan van Abu Ṭālib. Hij zag ook een glimmende jongen op een kameel rijden. Verder zag hij een plukje wolk de jongen beschermen tegen de hete zonnestralen. Zeer nauwkeurig bekeek de priester de jongen van top tot teen. Er was geen twijfel mogelijk, dacht hij bij zichzelf: zijn ogen aanschouwden de beloofde Profeet ﷺ.
Buheira kwam van het dak af en rende naar de caravan om de jongen te verwelkomen. Die dag bracht de caravan de nacht door in de stad. Na het avondmaal sprak Buheira met Abu Ṭālib.
Hij vroeg: “Wie is deze jongen van jou?” “Hij is mijn zoon,” zei Abu Ṭālib. “Dat kan niet,” zei de priester, hoofdschuddend. “Deze jongen zijn vader moet al dood zijn.”
“U hebt gelijk, wijze man,” zei Abu Ṭālib verbaasd. “Deze jongen is mijn neef. Mijn broer overleed enige maanden voordat deze jongen werd geboren. Ik heb hem als mijn zoon opgevoed.”
“Dat is gebeurd zoals het moest,” zei de priester glimlachend.
Daarna stelde de priester veel vragen aan de jongen. “Hebben engelen jou bezocht?” vroeg hij. “Heb je vreemde dromen gehad?” De jongen vertelde Buheira alles over de engelen. Hij vertelde ook over zijn wonderbaarlijke dromen.
“Het is zo zonneklaar als de dag,” zei de christelijke priester. “Het is zoals Profeet Isa ons had verteld: u bent de laatste Profeet der Waarheid. Mag ik de Zegel der Profeten op uw rug kussen?”
Hij tilde het losse shirt van de jongen op, en zie: daar was de Zegel der Profeten. Hij kuste het keer op keer en zei: “Ik wenste dat ik lang zou kunnen leven om uw volgeling te worden.”
Abu Ṭālib begreep niet veel van wat de priester vertelde en verbleef niet lang in Syrië. Hij keerde terug naar Mekka.