1 Inleiding

De student leert hoe de oorlog bij Ḥunain laat zien hoe gevaarlijk zelfvertrouwen zonder volledig vertrouwen in Allāh kan zijn, en hoe de standvastigheid van de Profeet ﷺ het leger weer bijeenbracht en tot overwinning leidde. Hij leert dat de Anṣār een unieke liefde en trouw hadden, die door de Profeet ﷺ werd erkend en versterkt. Daarna ziet de student hoe de Islam zich razendsnel verspreidde, hoe de laatste Hadj de voltooiing van de goddelijke missie markeerde, en hoe de afscheidsrede de kernprincipes van de Islam samenvat: rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, broederschap en vasthouden aan Qur’ān en Soennah. Ten slotte leert hij dat de Profeet ﷺ zelfs in zijn laatste ziekte bleef onderwijzen, waarschuwen en leiding geven, en dat zijn laatste woorden getuigen van volledige overgave aan Allāh en liefde voor zijn gemeenschap.

2 De oorlog bij Ḥunain

Met de val van Mekka kwam een einde aan alle oppositie tegen de Islam. Banu Saqif, de heersende stam van Tā’if, bleef echter nog steeds onverslagen. Ook de krijgshaftige stam Hawāzin, die het uitgestrekte gebied tussen Mekka en Tā’if bezette, raakte verstoord door de val van Mekka. Zij zagen hierin een gevaar voor hun eigen godsdienst en leefwijze. Om dit gevaar te weerstaan vormden zij een enorm leger. Dit leger vertrok naar Mekka en bivakkeerde in de vallei van Ḥunain. Een smalle bergpas was de enige toegang tot de vallei. De boogschutters van de vijand verscholen zich achter de steile rotsen met uitzicht op de smalle doorgang.

Om de vijand te ontmoeten leidde de Profeet ﷺ een leger van 12.000 man. Dit was het grootste leger dat hij ooit had aangevoerd. De omvang gaf de moslims zekerheid en vertrouwen op een overwinning. In de avond bereikten de moslims de toegang tot de vallei, waar het leger uitrustte.

Vroeg in de ochtend trokken de moslims verder. De Profeet ﷺ bracht de verdediging naar voren. Toen zij de smalle bergpas betraden, regende het pijlen. Het was nog halfdonker en de moslims konden niet ver genoeg zien. De schrik overmeesterde de moslims die de aanval leidden. Mekkaanse rekruten vormden de voorhoede; zij waren de eersten die overhaast terugtrokken. Vervolgens ontstond volslagen oproer. Stam na stam passeerde de Heilige Profeet ﷺ, hem vaak alleen achterlatend.

De Profeet ﷺ stond onverschrokken en riep luid: “Ik ben de Profeet van Allāh, daar is geen twijfel aan! Ik ben de kleinzoon van ʿAbdul Muṭṭalib!”

Deze woorden werkten magisch op de moslims. Zij keerden terug naar de Profeet ﷺ, vielen de vijand aan en behaalden de overwinning.

3 De liefde van de Anṣār voor de Profeet

De overwinning bij Ḥunain leverde een aanzienlijke buit op. Het grootste deel daarvan werd gegeven aan de Mekkanen die enkele weken eerder de Islam hadden geaccepteerd. Dit was vreemd voor sommige Anṣār. Zij zeiden: “Onze sabels zijn rood geworden door het bloed van de vijand, maar de Quraysh wordt overladen met de buit.”

De Profeet ﷺ hoorde deze woorden en riep de Anṣār bij zich. Hij zei: “O Anṣār! Wat is dit voor nieuwigheid dat jullie in je hart hebben gevonden? Jullie waren in dwaling en Allāh heeft jullie Zijn Pad gewezen. Jullie waren vijanden van elkaar en Allāh maakte jullie tot broeders. Jullie waren arm en Allāh maakte jullie rijk.”

De Anṣār antwoordden: “Waarlijk, Allāh en Zijn Boodschapper ﷺ zijn genadig geweest voor ons.”

De Profeet ﷺ vervolgde: “Jullie mogen wat terugzeggen, O Anṣār! Jullie kunnen zeggen dat jullie de Islam een veilige thuisbasis hebben gegeven — en dat is de absolute waarheid. Mijn beste Anṣār‑vrienden, ik geef deze mensen de onbelangrijke dingen van deze wereld zodat zij met hun hart de Islam kunnen begrijpen. Jullie zijn al gezegend met de onbetaalbare giften van de Islam. Vinden jullie het niet prettig dat de mensen geiten en schapen meenemen, en dat jullie de Profeet van Allāh meenemen naar huis? O Allāh! Heb medelijden met de Anṣār, met hun kinderen en hun kleinkinderen.” De Anṣār waren hierdoor zo diep geraakt dat hun baarden nat werden van hun tranen.

4 Afronding van de missie

In het negende jaar van Hijrah vond de eerste Hadj onder het Islamitische geloof plaats. De Heilige Profeet ﷺ was niet in staat deze pelgrimstocht zelf te leiden. Hij stuurde daarom Ḥazrat Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu) als zijn afgezant. Het negende en tiende jaar Hijrah werden gekenmerkt door een snelle verspreiding van de Islam. Groepen mannen uit de uiterste hoeken van Arabië kwamen naar Medina, verbleven daar enige tijd, leerden de grondbeginselen van de Islam en keerden terug om hun eigen volk te onderwijzen.

5 Zijn laatste Hadj

In het tiende jaar Hijrah stuurde de Profeet ﷺ een bericht door het land dat hij de Hadj zou verrichten. Mannen en vrouwen uit heel Arabië kwamen naar Medina. Op 26 Dhul‑Qaʿdah vertrok een groep van ruim 100.000 pelgrims naar Mekka. Na ongeveer negen kilometer trok de Profeet ﷺ het pelgrimsgewaad (iḥrām) aan, en zijn volgelingen deden hetzelfde. Hij riep luid: “Hier ben ik, Allāh! Hier ben ik tot Uw dienst. U hebt geen partner, O Allāh.” Deze woorden werden door duizenden herhaald; de woestijn galmde ervan. Op 5 Dhul‑Ḥijjah bereikte de Profeet ﷺ Mekka. Hij ging naar de Ka’aba, liep er zeven keer omheen, en sprak bij Ṣafāʾ: “Niemand is het waard aanbeden te worden dan Allāh. Hij heeft geen partner. Alle macht en lof behoren aan Hem. Hij schenkt leven en laat sterven. Hij komt Zijn belofte na en helpt Zijn aanbidders.”

6 De afscheidsrede

Op 9 Dhul‑Ḥijjah ging de Profeet ﷺ naar de vallei van ʿArafāt. Hij reed op zijn kameel Qaswā, keek rond en zag een zee van mensen. Zittend in het zadel hield hij zijn laatste rede. Elk woord werd door de aanwezigen luid herhaald.

Hij zei onder andere:

  • “Vanaf vandaag zijn alle rentebetalingen onwettig.”
  • “Er zijn geen bloedvetes meer.”
  • “Wees lief voor je vrouwen.”
  • “Wees goed voor je slaven en medewerkers.”
  • “Alle moslims zijn broeders van elkaar.”
  • “Kleur of ras maakt je niet beter dan een ander.”
  • “Het leven, de eer en het eigendom van een moslimbroeder zijn heilig.”
  • “Ik laat twee machtige dingen achter: de Heilige Qur’ān en mijn Soennah. Als jullie daaraan vasthouden, zullen jullie nooit dwalen.”

Toen hij vroeg: “Heb ik de Openbaringen van Allāh aan jullie overgebracht?”

antwoordden duizenden stemmen: “Ja!”

De Profeet ﷺ keek naar de hemel en zei: “Allāh! Gij zijt mijn getuige.”

Kort daarna werd het vers geopenbaard: “Vandaag heb Ik uw geloof volmaakt gemaakt…”

Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu) begon te huilen, omdat hij begreep dat de missie voltooid was — en dat de Profeet ﷺ spoedig zou heengaan.

7 De laatste ziekte

Abu Bakr’s gevoel kwam uit. Twee maanden na de Hadj werd de Heilige Profeet ﷺ ziek. Hij had hoge koorts en een vreselijke hoofdpijn. Toch ging hij zoals gewoonlijk onverkort door met zijn opdracht. Op de vijfde dag van zijn ziekte ging hij naar Uḥud en hield een smeekbede voor de martelaren die daar begraven lagen. Daarna richtte hij zich tot de mensen en zei: “Ik weet zeker dat jullie niet terug zullen keren om afgodsbeelden te aanbidden, nadat ik er niet meer ben. Doch, ik heb een vrees. Ik vrees dat jullie zodanig verzeild zullen raken in deze wereld waardoor jullie elkaar niet zullen ontzien. Dan zullen jullie doodgaan zoals anderen die voor jullie doodgingen.” De Heilige Profeet ﷺ vervolgde het voorgaan in de gebeden totdat hij door zijn ziekte zwak was geworden om naar de moskee te gaan. Daarom vroeg hij Abu Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu) om in zijn plaats de gebeden te leiden. 

8 De laatste preek

Vier dagen voor zijn heengaan nam de Heilige Profeet ﷺ midden op de dag een bad en ging daarna naar de moskee. Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu) leidde het vroege middaggebed (Ẓohr). Hij wilde terugtreden, maar de Heilige Profeet ﷺ gaf hem een wenk om door te gaan. Zelf ging de Profeet naast Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu) zitten en bad mee.

Na het gebed richtte hij zich tot de mensen en zei: “Allāh gaf een dienaar van Hem de keus tussen het plezier van deze wereld en het plezier in het Hiernamaals. Hij koos het laatste.”

Abū Bakr realiseerde zich onmiddellijk dat de Profeet ﷺ hiermee zichzelf bedoelde. Hij begon hevig te huilen en zei: “O Boodschapper ﷺ van Allāh! Moge ons leven en dat van onze kinderen opgeofferd worden omwille van u! Wat een treurige mededeling is dit.”

De Profeet ﷺ bleef kalm en vervolgde: “O moslims, wees goed voor de Anṣār. Zij hebben hun plicht gedaan; kom nu jullie plicht tegenover hen na. Ik heb aan jullie slechts de Geboden van Allāh geopenbaard. Ik heb zelf niets toegevoegd of achtergehouden. Ellende aan de Joden en Christenen die de graftomben van hun profeten en heilige mannen aanbidden — ik verbied jullie dat te doen. Als ik iemand mijn vriend kan noemen, dan is dat Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu). O mijn dochter Fāṭimah! En mijn tante Ṣafiyyah! Doe iets voor jullie ziel. Ik zal niet in staat zijn iets voor jullie te doen tegen de wil van Allāh.”

9 Met de metgezellen meest verheven

Een dag voor zijn heengaan herinnerde de Profeet ﷺ zich dat hij zeven goudstukken had gegeven aan ʿĀishah (raḍiyAllāhu ʿanhā) om onder de arme mensen te verdelen. Hij vroeg met een zwakke stem: ʿĀishah, wat heb je gedaan met de goudstukken?

“Ik was zo bevangen door uw ziekte dat ik het vergeten was aan de armen te geven,” verontschuldigde zij zich. De Profeet ﷺ vroeg haar het alsnog onmiddellijk te doen.

“Hoe kan ik mijn gezicht aan Allāh laten zien als ik de goudstukken achterlaat als mijn bezit?” zei hij.

Op maandagochtend 12 Rabīʿ al‑Awwal werd de gezondheid van de Profeet ﷺ plotseling beter. De koorts leek verdwenen en zijn gezicht straalde. Alles deed vermoeden dat zijn leven buiten gevaar was, maar tegen de middag verslechterde zijn toestand opnieuw. Hij kreeg herhaaldelijk een flauwte.

Zelfs in zijn doodsstrijd vergat hij Allāh niet. De woorden: “Vergeef mij, Allāh” en “Met de metgezellen meest verheven” werden steeds opnieuw gehoord.

Ook zei hij: “Wees bedachtzaam over jullie gebeden en wees goed voor jullie slaven en dienstmeisjes.”

Zijn hoofd rustte op de schoot van Ḥazrat ʿĀishah (raḍiyAllāhu ʿanhā). Plotseling werd zijn hoofd zwaarder. De woorden: “Met de metgezellen meest verheven”

werden voor de laatste keer gehoord.

Het moment daarop was hij met de metgezellen meest verheven.