1 Inleiding
De student leert in deze hoe de bijna‑overwinning bij Uḥud door een fout veranderde in een nederlaag, maar dat de moslims ondanks chaos, verwarring en zware verliezen hun standvastigheid behielden, de Profeet ﷺ beschermden met hun leven, en dat Allāh hen later opnieuw hielp tijdens de geuloorlog — waardoor Medina veilig bleef en de Islam verder kon groeien.
2 Overwinning werd een nederlaag
De ene na de andere vaandeldrager van de Quraysh werd gedood. Hun vaandels vielen op de grond en kwamen onder het stof te liggen. De in paniek geraakte Mekkanen vergaten zelfs het meegesleurde afgodsbeeld te beschermen. Dat lelijke ding lag met het gezicht op de grond. Het geschreeuw en de bespotting van de Mekkaanse vrouwen bleken van geen nut te zijn geweest.
Op een gegeven ogenblik gingen de Quraysh‑soldaten haastig op de vlucht en lieten hun buit achter. De achtergelaten buit verleidde de boogschutters bij de doorgang van de heuvel, waardoor de meesten van hen erop afstormden. Khalīd bin Walīd, die nog geen moslim was, was een generaal van het vijandelijke leger. Hij zag dat de doorgang vrijwel onbewaakt was gebleven en leidde een aantal soldaten naar de doorgang, waar zij de achtergebleven boogschutters vermoordden. Vervolgens viel hij de moslims in de rug aan.
De Quraysh‑leiders die op de vlucht waren geslagen, zagen dit gebeuren en keerden terug om de oorlog voort te zetten. Dit werd een volkomen verrassing voor de moslims. Overwinning was nabij toen zij plotseling zichzelf te midden van een dodelijke hinderlaag aantroffen. Verwarring ontstond en verspreidde zich snel.
Om erger te voorkomen offerde Musʿab bin ʿUmair, de vaandeldrager, zich op. Hij werd met het zwaard gedood. Musʿab bin ʿUmair leek veel op de Profeet ﷺ. Spoedig verspreidde zich het bericht dat de Profeet was gedood. Het rumoer bracht verwarring onder de moslims. Zij dachten geen leider meer te hebben en begonnen de moed te verliezen. Uiterste verwarring volgde. Het leek alsof geen enkele moslim de ramp zou overleven.
3 Moslims sterven voor de Profeet ﷺ
Intussen hield de Heilige Profeet ﷺ, omringd door een handvol metgezellen, stevig stand. Abū Dujānah beschermde de Profeet met zijn reusachtige lichaam en Saʿd bin Abī Waqqāṣ hield de vijand met zijn speren op afstand. Kaʿb bin Mālik werd blij toen hij de Profeet zag en riep: “Blijde boodschap voor jullie! O moslims, de Profeet van Allāh is hier!”
Overhaast zochten de metgezellen naar de Profeet ﷺ. Vrienden en vijanden gingen naar de plek waar hij was. Vanuit alle hoeken vielen de krankzinnige Mekkanen deze plek aan, maar de moslims stonden als een massieve muur van beton om de Profeet. Zij sloegen elke aanval terug met bovenmenselijke kracht. Velen kwamen om en velen raakten gewond.
Door de hevige aanval van de vijand werd de Heilige Profeet ﷺ ook gewond. Hij kreeg verwondingen aan zijn hoofd en verloor twee tanden. Bloed stroomde van zijn kaken, maar hij bleef zich even vriendelijk gedragen.
“Wat verwacht iemand, die het gezicht van zijn Profeet ﷺ rood kleurde?” riep hij. Zijn zwaard omhooghoudend zei de Profeet: “Wie wil recht doen aan dit zwaard?”
Abū Dujānah greep het zwaard en sprong als een wilde kat op de Mekkanen. De Anṣārī‑jongelingen vormden een stevige muur om de Profeet en vochten met bovenmenselijke kracht. Een Anṣārī‑vrouw, Umm ʿAmmārah, behandelde de verwondingen. Toen zij zag dat het leven van de Profeet ﷺ in gevaar was, trok zij haar zwaard en sprong met veel moed op de vijand. Zij vocht verschrikkelijk hard totdat zij door haar verwondingen werd verslagen.
4 Vijanden trekken zich terug
Weldra had het moslimleger zich om de Profeet ﷺ verzameld. Orde en vertrouwen keerden terug. Langzamerhand werd de vijand verslagen. De Profeet ﷺ, gevolgd door zijn metgezellen, beklom de top van de berg Uḥud. De Mekkanen dachten dat het niet verstandig zou zijn om de strijd voort te zetten. Daarom lieten zij de moslims alleen achter en marcheerden terug naar Mekka.
De slag bij Uḥud kostte zeventig moslims het leven. Onder hen bevond zich Ḥamzah (raḍiyAllāhu ʿanhu), een van de dapperste zonen van de Islam. De dood van zijn dappere oom maakte de Profeet ﷺ erg verdrietig.
“Dit is de meest verdrietige gebeurtenis die mij ooit is overkomen,” zei hij toen hij het verminkte lichaam van Ḥamzah in zijn armen vasthield. “Allāh behoede mij dat ik zulke gebeurtenissen weer meemaak.”
Met groot verdriet werden de martelaren begraven en de moslims keerden terug naar Medina.
5 Islam groeide met grote snelheid
Ondanks hun ogenschijnlijke overwinning bij Uḥud verloren de Quraysh hun angst voor de moslims niet. Zij wisten innerlijk dat zij feitelijk de oorlog hadden verloren. Het was slechts een noodlottige fout van enkele moslims die hun overwinning in een nederlaag had doen veranderen.
Er was absoluut geen twijfel bij de trotse Mekkanen dat zij niet langer tegenstand konden bieden aan de moslims. Daarom ondernamen zij gedurende twee jaar geen poging om Medina aan te vallen.
6 De Joodse samenzwering
De Joden van Medina waren rijk en machtig. Naarmate de Islam groeide, werden zij jaloers. Zij beraamden een samenzwering om de Islam te vernietigen. Hun plannen lekten uit, dus besloten twee van de drie Joodse stammen uit Medina te vertrekken. Veel van hen vestigden zich in Khyber, dat het Joodse bolwerk werd.
Vanuit Khyber werden Joodse agenten overal in Arabië gestuurd om de mensen te verenigen tegen de Islam. Het plan werkte goed. Door hun sluwheid trokken de Joden alle groeperingen aan die zich tegen de Islam wilden verzetten. Om gelijkenis te tonen met de Mekkanen begonnen zij zelfs afgodsbeelden te vereren en vergaten zij alles wat hun voorouders hen hadden geleerd.
Steeds meer allianties werden op vergelijkbare wijze gevormd. Op een gegeven moment waren de Joden en hun bondgenoten groot genoeg om een leger van 24.000 soldaten te vormen. In het vijfde jaar van Hijrah trokken deze soldaten op naar Medina. Hun plan was om de moslims te verrassen. Echter, een van de bondgenoten kon het plan niet geheimhouden. Details waren al lange tijd in Medina bekend. Uiteindelijk maakten de moslims zich gereed om het grootste leger aller tijden in Arabië te ontmoeten.
7 De oorlog van de geul
De Heilige Profeet ﷺ kwam tijdig achter het plan van de Joden en gaf instructies aan zijn metgezellen. Een van hen, Salmān al‑Fārsī, stelde voor om een diepe geul te graven aan de onbeschermde kant van de stad. Allen vonden het een uitstekend idee.
Vervolgens gingen 3.000 mannen gedurende twintig dagen de geul graven. De geul was ruim 4,50 meter diep en even breed. De Heilige Profeet ﷺ werkte net zo hard als de anderen.
Achter deze geul stonden de moslims veilig opgesteld. De geallieerden stormden naar Medina onder het commando van Abū Sufyān. Bij de eerste poort van de stad kwamen zij tot stilstand vanwege de geul. Om hun machteloosheid te verbergen begonnen zij de moslims bespottelijk te maken: “Vechten van achter een greppel behoort niet toe aan de Arabieren.”
De geallieerden hadden voldoende proviand bij zich en besloten daarom een blokkade op te leggen. Deze blokkade duurde weken, terwijl het voedsel in Medina schaarser werd.
Een Joodse stam, Banū Qurayẓa, was nog steeds in de stad gevestigd. Zij maakten in het geheim afspraken met de vijand. Deze huichelaars waren bezig een actie tegen de Profeet ﷺ te voeren.
Desondanks bleef het geloof en vertrouwen van de moslims hoog. Iedere moslim had het volste vertrouwen in Allāh en Zijn Boodschapper ﷺ.
Op de zevenentwintigste dag trof een vreselijke cycloon Medina. De vijandelijke tenten werden weggeblazen en de hevige regen verwoestte hun rantsoen. Gierende wind sneed diep in hun botten. Bovendien werd het vertrouwen onder de geallieerden aangetast.
Tot grote blijdschap van de moslims werd de blokkade opgeheven en de vijandige troepen vertrokken even snel als zij gekomen waren.