1 Inleiding
In deze les leert de student hoe de geboorte van de Profeet ﷺ historisch werd aangekondigd en ontvangen. De student maakt kennis met Āmina (raḍiyAllāhu ʿanha) en Abdullah (raḍiyAllāhu ʿanhu), hun familie, en de omstandigheden waarin de Profeet ﷺ werd verwacht. Vervolgens leert de student over het jaar van de olifant, waarin Allāh de Ka’aba beschermde tegen Abraha, een gebeurtenis die direct voorafging aan de gezegende geboorte. Daarna ontdekt de student de dromen van Āmina (raḍiyAllāhu ʿanhā), die de komst en de namen van de Profeet ﷺ voorspelden. De student leert hoe de geboorte plaatsvond, hoe Abdul Muṭṭalib reageerde en waarom de namen Ahmad en Mohammed ﷺ werden gegeven. Tot slot leert de student over de kindertijd van de Profeet ﷺ, de traditie van pleegzorg in de woestijn, de rol van Halīmah Saʿdiyyah en de zegeningen die het kind in haar huis bracht.
2 Het eeuwigdurend verhaal
Het verhaal over de gezegende geboorte bereikte het Arabische schiereiland ruim 1400 jaar geleden. De Arabieren hoorden over deze geboorte van Mohammed bin Qāsim en zijn mannen. Het is bewezen dat dit verhaal tot op de dag van vandaag het meest gezegende en plezierigste verhaal aller tijden is. Sinds Qāsim’s tijd werd het van generatie op generatie overgedragen. Kortom, het is een verhaal dat nooit vermoeiend of achterhaald wordt. Het wordt gelezen door mannen, vrouwen en kinderen in alle leeftijdsgroepen. Het verhaal is tijdloos en prachtig.
In het oude stadje Mekka woonde een jonge dame. Haar naam was Āmina. Zij was extreem goed en aardig. Zij stamde af van een nobele familie. Abdullah, haar echtgenoot, was een jonge man die de leider was van Mekka en bekend stond om zijn heldhaftigheid en vriendelijkheid. Abdullah was de zoon van Abdul Muṭṭalib, het opperhoofd van de trotse Quraysh‑stam. De Quraysh waren de toezichthouders van de Ka’aba. Abdul Muṭṭalib, als opperhoofd, was de conservator van het Huis van Allāh. Deze baan was eerzaam in Arabië. Āmina’s schoonvader was de meest bekende man in het land.
Āmina was slechts enkele maanden getrouwd toen haar man, Abdullah, op zakenreis naar Syrië ging. Op de terugweg stopte hij in Medina, de geboorteplaats van zijn moeder. Daar stierf hij na een korte ziekteperiode. Toen het overlijdensbericht Āmina bereikte, viel zij in een diep dal van verdriet. Zij dacht steeds: “Hoe zal mijn ongeboren kind straks reageren als het weet dat de vader is overleden?” Van deze gedachte werd zij erg beroerd, maar zij had ook tevredenheid: het kind zou de gedachtenis van haar man in leven houden.
3 Het jaar van de olifant
Dit was het alom bekende jaar van de olifant. Het jaar werd genoemd naar de olifanten waarmee Abraha, gouverneur van Jemen, in opmars naar Mekka ging. Hij was een zeer machtige man die zijn naam in leven wilde houden. Daarom bouwde hij een grote tempel in de hoofdstad. Hij commandeerde de mensen om in plaats van naar de Ka’aba naar zijn tempel te komen om aan hun Hadj‑verplichting te voldoen. De mensen gingen niet naar zijn tempel, maar bleven hun Hadj‑plechtigheden voortzetten bij de Ka’aba.
Abraha bedacht een plan. Hij dacht: “Als ik de Ka’aba verniel, dan zullen zij niet meer naar Mekka gaan.” Met een groot leger en veel olifanten vertrok hij naar Mekka. Abdul Muṭṭalib, de opzichter van de Ka’aba, kon het niet opnemen tegen dit leger. Hij verliet daarom de stad en liet Allāh zelf Zijn Huis beschermen.
Abraha’s mannen namen toen enkele kamelen van Abdul Muṭṭalib in beslag. De oude opzichter ging naar Abraha en vroeg hem zijn dieren terug te geven. “U maakt zich druk om een paar kamelen?” merkte Abraha vol trots op. “Maakt u zich geen zorgen om de Ka’aba?” “Nou,” zei de oude Quraysh‑opzichter, “de kamelen behoren aan mij. Ik moet mij druk maken om mijn dieren. De Heer van de Ka’aba is Allāh. Hij zal zelf zorgdragen voor Zijn Huis.”
En zo gebeurde het. Abdul Muṭṭalib bleef kalm, maar Allāh stuurde de pest (ziekte) om het leger van Abraha uit te roeien. Het leger werd volledig verwoest en Abraha moest zich met afschuw terugtrekken. De Ka’aba werd even veiliggesteld als voorheen.
Deze gebeurtenis was de voorloper van het grootste wonder aller tijden. Binnen enkele maanden zou Mekka worden beloond met de gezegende geboorte. De grootste en laatste Profeet ﷺ was onderweg naar de wereld.
4 Ḥazrat Āmina (raḍiyAllāhu ʿanhā) – visioen
Enige tijd voor de geboorte van het kind van Āmina kreeg zij verbazingwekkende dromen. In een droom zag zij dat een glorieus licht uit haar straalde. Het licht verspreidde zich steeds verder tot de hele wereld ermee gevuld was. Alle hoeken en gaten van het heelal werden verlicht. Āmina was verbaasd over haar droom. Deze droom vertelde haar de glorie van het kind dat zij op de wereld zou brengen.
In een andere droom zag zij dat ze naar de hemel keek en dat een engel naar beneden kwam die voor haar bleef stilstaan. Deze engel zei: “Goed bericht voor u, o moeder van de Gezegende Profeet ﷺ! Uw zoon zal de Redder zijn van de mensheid. U zult hem Ahmad moeten noemen.”
Āmina kreeg gemengde gevoelens van blijdschap, maar ook verdriet als zij aan haar dromen dacht. Zij was blij omdat zij de moeder zou worden van de Verlosser van deze wereld, maar de gedachte dat het kind een ouderloos kind zou worden maakte haar verdrietig.
Āmina besprak haar dromen met haar schoonvader. Abdul Muṭṭalib had ook het gevoel dat de dromen tekenen vertoonden over een bijzondere toekomst van het kind van zijn overleden zoon. Van al zijn zonen was Abdullah het meest behaagde kind van zijn vader. De dood van Abdullah bracht voor zijn vader een onverdraagzame tijd met zich mee, maar de dromen van Āmina gaven hem opnieuw levenskracht. Het kind van zijn zoon zou een bijzonder kind worden dat niet vergelijkbaar is met welk ander kind dan ook.
5 De gezegende geboorte
Uiteindelijk kwam de blijde dag. Vroeg in de ochtend op maandag 22 april 571 / 12 Rabi’ul‑Awwal werd de Profeet ﷺ geboren. De laatste Profeet van Allāh was op aarde gekomen. Hij, op wie de wereld heel lang had gewacht, kwam als laatst. Het was een gelukkige lente. Overal, zowel op aarde als in de hemel, was vreugde te bespeuren.
De blijde boodschap over de geboorte werd gebracht naar Abdul Muṭṭalib, de grootvader. Hij haastte zich naar het huis van Abdullah en was uitermate blij toen hij het hemelse kind zag. Nooit eerder had hij zo’n bekoorlijk en stralend gezicht gezien. Hij nam het kind in zijn armen mee naar de Ka’aba (Huis van Allāh) voor tawāf (rondgang) en bracht hem daarna terug naar Āmina.
Toen het kind een week oud was, gaf Abdul Muṭṭalib een groot feest waarbij de hele Quraysh‑stam werd uitgenodigd. De Quraysh vroegen aan Abdul Muṭṭalib welke naam hij het kind had gegeven. Abdul Muṭṭalib antwoordde: “Ik heb hem Mohammed (de Geprezene) genoemd.”
Hierop vroegen de Quraysh waarom zo’n ongewone naam. “Niemand in uw familie heeft ooit deze naam gehad.” “Dat weet ik,” zei Abdul Muṭṭalib vol blijdschap, “maar deze kleinzoon van mij is niet zoals andere kinderen. Ik wil dat de aarde en de hemel zich vullen met zijn hulde.”
Zo kwam het dat de zoon van Āmina twee namen kreeg. Zij noemde haar kind zelf Ahmad, zoals de engel had gezegd, en de grootvader noemde zijn kleinzoon Mohammed ﷺ. Beide namen zijn in ieder geval profetisch. Het kind was aangewezen als de grootste weldoener der mensheid. Hij was degene die de Glorie van Allāh aan eenieder moest openbaren zoals niemand het eerder had gedaan.
6 De kindertijd
Zelfs in die tijden was Mekka vrijwel een grote stad met tamelijk veel mensen. De rijke mensen vonden Mekka geen geschikte plaats voor hun kinderen om op te groeien. Zodra hun baby’s ongeveer een week oud waren, werden zij naar het platteland gestuurd. Daar werden zij verzorgd door ingetogen pleegmoeders. De open lucht en de vrijheid van de woestijn deden de kinderen goed. Zij leerden ook de pure taal van het platteland.
Zoals gewoonlijk kwamen de gematigde pleegmoeders naar de stad om kinderen te zoeken. Iedere pleegmoeder zocht naar kinderen van rijke mensen. Dit was vanzelfsprekend: rijke mensen betaalden goed. Zogezegd liepen de pleegmoeders van huis aan huis om te proberen rijke ouders te vinden.
Onder hen was een pleegmoeder, haar naam was Halīmah Saʿdiyyah. Halīmah’s echtgenoot, Hārith, was ook met haar naar de stad meegekomen. Zij liep in de straten van Mekka heen en weer, maar kon geen rijke ouders vinden. “Ik zal maar weer naar huis keren,” dacht zij.
Na een vermoeide wandeling kwam zij bij haar man terug en keek nogal teleurgesteld. “Wat is er aan de hand, vrouw?” vroeg hij. “Zijn er geen kinderen die wij naar huis kunnen meenemen?”
“Ik weet niet wat ik moet zeggen,” antwoordde Halīmah. “Er is slechts één kind achtergebleven dat vaderloos is. Zijn briljante blik heeft mijn hart veroverd, maar ik weet niet wat ik aan het eind overhoud.” “Halīmah!” zei Hārith, “ga terug en breng het kind mee naar huis. Wie weet welk geluk hij ons brengt.”
Dus keerde Halīmah met het kind van Āmina, in een lappendeken gewikkeld, terug naar huis in de woestijn. Enigszins voelde zij aan dat zij van alle pleegmoeders de meest fortuinlijke was. Zij zou de pleegmoeder worden van de volmaaktste man aller tijden. Hij zou haar belonen zoals geen enkel pleegkind ooit een pleegmoeder had beloond.
Op het moment dat Halīmah het kind in haar lappendeken meenam, kreeg zij een vreemd gevoel van rust en genot in haar hart. Zij voelde zich de gelukkigste vrouw van de wereld. Ook werd zij meteen van alle zorgen en verdriet verlost.
Al spoedig werden Halīmah en Hārith innig met hun pleegkind. Hun eigen kinderen werden zelfs lief voor hun pleegbroer. Āmina’s vaderloze kind bracht een buitengewoon geluk in het huis van Halīmah. De kleine woestijn was plotseling verlicht. Alles kreeg een nieuwe uitstraling. De lucht leek vol leven en hoop. Zowel de vader en moeder als de kinderen merkten de verandering op. Een vreemde genoegdoening vulde hun harten.
Hun geiten en schapen werden dikker, hoewel zij aten wat zij normaal gewend waren te eten. Ook kregen de schapen meer melk dan voorheen. Het leven van de familie werd rijker en voller. Hārith en Halīmah werden het gelukkigste echtpaar in de volksstam van Banu Sa’d. Zij waren blij met hun geluk. Buren spraken over hen en wensten ook zo te worden.
Halīmah was blij haar pleegzoon snel te zien opgroeien. Er was een bijzondere glans op haar gezicht. Toen hij twee jaar oud werd, bracht Halīmah hem terug naar zijn moeder. Āmina was in de wolken hem in goede gezondheid terug te zien.
Op dat moment heerste een epidemie in Mekka. De lieve moeder dacht dat Mekka op dat moment niet de veiligste plaats was voor haar zoon. Daarom verzocht zij Halīmah om hem weer mee te nemen naar haar huis in de woestijn. Toen zij dat hoorde, kon niets Halīmah en haar familie gelukkiger maken. Haar man en kinderen waren blij het gezegende kind weer in hun midden te hebben.