1. Inleiding
De Qur’ān vertoont een duidelijke tweedeling in stijl en inhoud tussen de verzen die in Mekka en die welke in Medina zijn geopenbaard. Deze indeling weerspiegelt de verschillende fasen van de opbouw van de islamitische gemeenschap en de uiteenlopende omstandigheden waarin de openbaring plaatsvond. De Mekkaanse verzen richten zich vooral op geloofsleer, morele zuivering en krachtige oproepen tot tawḥīd, terwijl de Medinaanse verzen zich kenmerken door juridische bepalingen, sociale voorschriften en de organisatie van het gemeenschapsleven. Het begrijpen van deze stilistische en inhoudelijke verschillen is essentieel voor een juiste duiding van de openbaring en de geleidelijke vorming van de eerste moslimgemeenschap.
2. Inhoud van de Mekkaanse delen van de Qur’ān
De Mekkaanse delen van de Qur’ān kenmerken zich door de openbaring van de grondbeginselen van de Islam, de bewijsvoering ter weerlegging van polytheïsme en atheïsme, de oproep tot gehoorzaamheid aan Allāh Ta’ālā, verhalen over de profeten en de grondbeginselen van ethiek, oprechtheid en respect voor ouders en buren. Al‑Suyūṭī, J. (2008). Al‑Itqān fī ʿUloom al‑Qur’ān. Beirut: Dār al‑Fikr.
3. Stijl van de Mekkaanse delen van de Qur’ān
De meeste Mekkaanse hoofdstukken zijn relatief kort en bevatten veel fawāsil (vers-afscheidingen of ritmische eindklanken van de āyāt). Zij omvatten verzen met eden, gelijkenissen en herhalingen, evenals beeldspraak over de Dag der Opstanding, het Paradijs en de Hel. Al‑Zarkashī, B. (1990). Al‑Burhān fī ʿUloom al‑Qur’ān. Cairo: Dār al‑Turāth.
4. Inhoud van de Medinaanse delen van de Qur’ān
De Medinaanse delen bevatten uitleg over al‑ʿibādah (zoals ṣalāh, zakāt, Ramadan en ḥajj), al‑muʿāmalāt (sociale voorschriften), al‑ḥudūd (zoals koop en verkoop, huwelijk en echtscheiding, straffen) en al‑qaṣaṣ (vergelding). Zij nodigen Christenen en Joden uit tot de Islam, beschrijven de huichelaars en onthullen hun gedrag, en geven voorschriften over de relaties van moslims met andere naties. Al‑Qurṭubī, A. (1967). Al‑Jāmiʿ li Aḥkām al‑Qur’ān. Cairo: Dār al‑Kutub al‑Miṣriyyah.
5. Stijl van de Medinaanse delen van de Qur’ān
De Medinaanse hoofdstukken zijn relatief lang en worden gekenmerkt door een rustige en vriendelijke stijl, zowel in de behandeling van tegenstanders van het profeetambt als in de vermaningen aan de gelovigen. Al‑Rāzī, F. (1981). Mafātīḥ al‑Ghayb. Beirut: Dār al‑Fikr.
6. Suwār waarvan niet duidelijk is of zij Mekkaanse of Medinaanse zijn
Ḥāfiẓ Jalāl al‑Dīn al‑Suyūṭī vermeldt in zijn gezaghebbende werk al‑Itqān, op basis van al‑Nāsikh wa’l‑Mansūkh van Abū al‑Ḥasan al‑Ḥaṣar, dat het Medinaanse deel waarover de geleerden het eens zijn uit twintig hoofdstukken bestaat (groep 1, zoals Surah al‑Baqarah, Āl ʿImrān, al‑Nisāʾ, al‑Māʾidah en al‑Nūr). De hoofdstukken waarover meningsverschil bestaat — of zij in Mekka dan wel in Medina zijn geopenbaard — zijn er twaalf (groep 2, zoals Surah al‑Fātiḥah, al‑Raʿd, al‑Raḥmān, al‑Zalzalah en al‑Ikhlāṣ). De overige hoofdstukken worden volgens de gemeenschappelijke mening van de geleerden als Mekkaanse beschouwd (groep 3). Al‑Suyūṭī, J. (2008). Al‑Itqān fī ʿUloom al‑Qur’ān. Beirut: Dār al‑Fikr.
7. Discussie over Mekkaanse en Medinaanse hoofdstukken
Sommige oriëntalisten beschrijven de Mekkaanse hoofdstukken als heftig, dreigend en waarschuwend. Westerse onderzoekers menen soms dat deze hoofdstukken kort zijn omdat de toehoorders in Mekka voornamelijk analfabeten en minder geciviliseerd zouden zijn geweest. (weerlegging en correcte Sunni‑uitleg): Al‑Baghawī, H. (1997). Maʿālim al‑Tanzīl. Riyadh: Dār Ṭayyibah. Ibn Kathīr, I. (1998). Tafsīr al‑Qur’ān al‑ʿAẓīm. Riyadh: Dār Ṭayyibah.