1 Inleiding

De student leert in deze les hoe de eerste moslims, onder leiding van de Profeet Mohammed ﷺ, te maken kregen met zware vervolging in Mekka en hoe zij uitwijsten naar Abessinië om bescherming te zoeken bij een rechtvaardige koning. De student ontdekt hoe Jaʿfar ibn Abī Ṭālib de boodschap van de Islam verdedigde en hoe Negus de moslims toestond te blijven. Vervolgens leert de student hoe de Quraysh Banu Hāshim drie jaar lang boycotten, waardoor de familie van de Profeet in een vallei moest leven onder extreme armoede. De student ziet hoe het overlijden van Abu Ṭālib en Khadījah (raḍiyAllāhu ʿanhumā) het “jaar van verdriet” vormde en hoe de vijandigheid toenam, zelfs tot een poging tot wurging. Daarna leert de student hoe de Profeet ﷺ in Tā’if werd gestenigd maar toch vergiffenis vroeg voor zijn belagers. Tot slot leert de student over de bijzondere hemelreis (Miʿrāj), waarin de Profeet ﷺ naar al‑Aqṣā en vervolgens naar de hemelen werd gebracht en voor de Goddelijke Troon stond — een moment van diepe spirituele bevestiging van zijn missie.

2 Migratie naar Abessinië (Ethiopië)

De goddelijke missie van de Boodschapper van Allāh ging het vijfde jaar in. De Quraysh‑leiders ondernamen van alles om de verspreiding van de Islam tegen te werken, maar zonder succes. De Islam werd juist groter en bekender. Hierdoor werden de Mekkaanse leiders razend. Zij maakten het leven voor veel moslims haast onmogelijk. Deze moslims gingen naar de Heilige Profeet ﷺ en vroegen toestemming om naar het naburige, aan de andere kant van de Rode Zee gelegen land Abessinië te vertrekken. Zij kregen toestemming en vertrokken met vijftien mannen en vrouwen. Later vertrokken nog eens drieëntachtig moslims naar Abessinië.

Door deze migratie werden de Mekkaanse leiders woedender dan ooit. Zij stuurden twee van hun mannen naar Negus, de koning van Abessinië. Deze mannen verzochten Negus om de moslims het land uit te wijzen en terug te sturen naar waar zij vandaan kwamen. Negus vroeg aan de moslims wat zij daarop te zeggen hadden.

Daarop stond Jaʿfar, de zoon van Abu Ṭālib, op en zei: “O koning! Wij waren zondaren. Wij vereerden afgodsbeelden en deden allerlei slechte dingen. Allāh heeft Zijn laatste Profeet ﷺ naar ons gestuurd. Hij leert ons geen afgodsbeelden te aanbidden, maar alleen Allāh, en om goed voor elkaar te zijn. Wij hebben deze lering geaccepteerd. Dit heeft onze eigen mensen tot onze vijanden gemaakt. Zij willen ons dwingen slechte dingen te doen die wij hebben afgezworen. Wij hopen, o koning, dat u deze slechte mensen niet zult toestaan hun hand naar ons uit te steken.”

Negus bleek gevoelig voor het verzoek van de moslims en verzocht Jaʿfar enkele verzen van de Heilige Qur’ān te reciteren. Jaʿfar reciteerde enkele verzen uit het hoofdstuk Maryam (Maria) en Negus werd hierdoor verrast.

“Gaan jullie weg,” zei hij tegen de Mekkaanse vertegenwoordigers. “Ik kan deze mensen niet terugsturen. Zij volgen de ware Imān (geloof).”

3 Banu Hāshim opgesloten in een vallei

Naarmate de tijd verstreek, werden de Mekkaanse leiders afschuwelijker tegen Abu Ṭālib en Banu Hāshim. “Het is de schuld van de Hāshims,” zeiden zij. “Als zij Mohammed ﷺ opgeven, zal hij spoedig stoppen met zijn activiteiten. Als zij niet ophouden Mohammed ﷺ te volgen, zullen zij moeten lijden voor wat zij hun verwanten aandoen.”

Zo kwam het dat alle volksstammen tot een overeenkomst kwamen. Zij kwamen overeen om alle handelsrelaties met Banu Hāshim te beëindigen. Niemand zou nog iets aan hen verkopen. De overeenkomst werd getekend en opgehangen in de heilige Ka’aba. Dit vond plaats in het zevende jaar van de missie.

Toen volgde een periode van tegenspoed voor Banu Hāshim en de moslims. De druk was zo groot geworden dat Abu Ṭālib, het hoofd van de stam Banu Hāshim, zich moest verschuilen in een smalle vallei. Deze vallei staat nu bekend als Abu Tālib’s bergpas. Gedurende drie jaar leefden de Heilige Profeet ﷺ en al zijn familieleden in deze vallei. Veel moslims sloten zich bij hen aan.

Alle toevoer naar de vallei werd afgesloten. De Mekkaanse leiders zagen erop toe dat geen voedsel en water naar Banu Hāshim werd gebracht. De arme Banu Hāshim moesten leven van bladeren, boomwortels en struikgewassen. De benarde toestand van de kinderen was vooral schrijnend.

Op den duur kregen enkele goedhartige Mekkaanse leiders medelijden met Banu Hāshim. Zij scheurden de overeenkomst die in de Ka’aba hing in stukjes. De door honger bevangen Banu Hāshim werd toegestaan terug te keren naar huis. De bitterheid tegen de Islam en de moslims werd er niet minder op. De Mekkanen waren zoals gewoonlijk bezig plannen voor te bereiden om de Islam uit te roeien.

4 Het jaar van verdriet

Kort na de terugkeer uit de vallei stierf Abu Ṭālib. Hij was een oude man van tachtig jaar en zijn gezondheid was de laatste drie jaren door honger en armoede achteruitgegaan. Kort daarna stierf ook Khadījah, de goede en geloofstrouwe echtgenote van de Heilige Profeet ﷺ. Beide sterfgevallen vonden plaats in het tiende jaar van de missie.

Het verlies van deze twee personen maakte de Heilige Profeet ﷺ erg droevig. Abu Ṭālib en Khadījah waren als krachtbronnen voor hem. Hun overlijden maakte de vijanden overmoedig. Op een dag stond hij, diep in gedachten verzonken, te bidden in de Ka’aba. Abu Jahl wikkelde een kledingstuk om zijn nek en trok het hard aan. Hij wilde de Heilige Profeet ﷺ wurgen, toen Abu Bakr op tijd te hulp schoot.

5 Gestenigd in Tā’if

De oppositie in Mekka werd met de dag groter. Daarom dacht de Heilige Profeet ﷺ eraan om in een andere stad de Islam te openbaren. Op een dag ging hij naar Tā’if, een stad op 68 kilometer van Mekka. Hij riep de leiders bij elkaar en nodigde hen uit de Islam te accepteren.

De leiders toonden geen interesse in wat de Profeet openbaarde, dus beëindigde hij zijn oproep. Toen de Profeet de stad wilde verlaten, lieten de slechte leiders hun jongeren op hem af. Zij vormden een bondgenootschap en gooiden stenen naar de Heilige Profeet ﷺ. Het regende zo hevig stenen op hem dat hij begon te bloeden. Hij zocht schuilplaats onder een boom in een nabijgelegen tuin. Hij bloedde zo erg dat zelfs zijn schoenen met bloed waren volgelopen.

Toch richtte de Heilige Profeet ﷺ zich tot Allāh en verzocht vergiffenis voor deze mensen, omdat zij niet wisten wat zij deden.

6 De hemelreis

In het tiende jaar van de goddelijke missie vond ook de bijzondere hemelreis (Miʿrāj) plaats. Op een nacht kwam de aartsengel Jibrāʾīl (ʿalayhis salām) met het bericht dat Allāh Zich aan Zijn Boodschapper wilde onthullen.

De reis van de Heilige Profeet ﷺ begon op een Burāq (gevleugeld paard) van Mekka naar Jeruzalem. Daar aangekomen verrichtte hij het gebed in moskee al‑Aqṣā in gezelschap van onder andere de Profeten Ibrāhīm, Mūsā en ʿĪsā (Alayhim as‑salām). Vervolgens werd de reis voortgezet naar de hemel. Uiteindelijk stond de Profeet voor de Goddelijke Troon. Een openhartig gesprek vond achter een gordijn plaats.

Daarna keerde de Boodschapper ﷺ van Allāh terug naar huis. Al deze gebeurtenissen vonden in één nacht plaats.