1 Tegenwoordige tijd

Al‑Muḍāri‘ is het werkwoord dat de tegenwoordige tijd aanduidt, zowel eenvoudig als continu, en het heeft ook de mogelijkheid om de toekomstige tijd uit te drukken. Dit betekent dat één en dezelfde vorm een van drie tijden kan overbrengen, d.w.z.:

  • eenvoudig tegenwoordige tijd,
  • tegenwoordige tijd continu,
  • toekomstige tijd.

De context en de situatie waarin het werkwoord wordt uitgesproken, bepalen welke van de drie tijden bedoeld is. Voorbeelden:

  • yansuru → hij helpt, hij is aan het helpen, of hij zal helpen
  • yunsaru → hij wordt geholpen, hij wordt momenteel geholpen, of hij zal worden geholpen

Voor‑ en achtervoegsels: Het onvolmaakte‑werkwoord vervoegingstabel is opgebouwd uit zowel voorvoegsels als achtervoegsels. De drie basisletters staan ertussen. Het voorvoegsel is één van vier letters. Afhankelijk van de specifieke vervoeging begint het werkwoord met , ta, hamzah of nūn.

Van de in totaal 14 vervoegingen hebben er vijf geen achtervoegsel, wat betekent dat de derde basisletter de laatste letter van het werkwoord is. De overige negen vervoegingen worden verdeeld in vier groepen: 4, 2, 2 en 1, die elk een gemeenschappelijk achtervoegsel ontvangen. De methode om het onvolmaakte werkwoord te construeren staat hieronder vermeld:

2 Voorvoegsels (prefixen)

Voor de fa‑positie in alle 14 vervoegingen wordt één van de vier bovengenoemde letters geplaatst, en de fa‑positie wordt sākin.

  • Yā’ komt voor bij 4 vervoegingen:
    • de eerste twee (3e persoon mannelijk)
    • nummer 6 (3e persoon meervoud vrouwelijk)
  • Tā’ wordt gekoppeld aan 8 vervoegingen:
    • de twee 3e persoons vrouwelijke vormen (nr. 4 en 5)
    • alle zes 2e persoons vervoegingen
  • Hamza is verbonden aan nummer 13 (1e persoon enkelvoud)
  • Nūn is het voorvoegsel voor nummer 14 (1e persoon meervoud)

Als je de voorvoegsels isoleert, klinken ze als: yaf, yaf, taf, taf, yaf, zes keer taf, af, naf.

3 Achtervoegsels – de vijf “Enkelvoud”

Vijf vervoegingen hebben geen achtervoegsel. De laatste letter (lām‑positie) krijgt een dhammah, in plaats van een fathah zoals in het ḍī-patroon.

Dit zijn de nummers 1, 4, 7, 13 en 14. Ter vereenvoudiging worden ze “de vijf enkelvoud” genoemd, ook al is de laatste vorm meervoud en nummer 10 niet tot deze groep behoort.

Met de reeds vastgestelde voorvoegsels resulteren deze vijf vormen in:

  • yaf‘alu
  • taf‘alu
  • taf‘alu
  • af‘alu
  • naf‘alu

4 Meervoud mannelijk (nummers 3 en 9)

In de twee mannelijke meervoudsvormen (nr. 3 en 9) is het achtervoegsel:

  • wāw sākin,
  • voorafgegaan door een dhammah op de lām‑positie,
  • gevolgd door een nūn maftūh.

Dit resulteert in:

  • yaf‘alūna
  • taf‘alūna

5 Tweede persoon enkelvoud vrouwelijk (nummer 10)

Het achtervoegsel is:

  • yā’ sākin,
  • voorafgegaan door een kasrah,
  • gevolgd door een nūn maftūh.

Dit geeft: taf‘alīna

6 Meervoud vrouwelijk (nummers 6 en 12)

In de twee vrouwelijke meervoudsvormen wordt toegevoegd:

  • nūn maftūh,
  • voorafgegaan door een sukūn op de lām‑positie.

Dit resulteert in:

  • yaf‘al‑na
  • taf‘al‑na