Het eerste deel van deze āyah (vers) impliceert dat we al onze handelingen verrichten “in de Naam van Allāh”. Uit authentieke ḥadīth weten we dat Allāh (Subḥānahu wa Ta’ālā) meer dan 99 Namen heeft, waarbij elke Naam een unieke eigenschap van onze Heer en Meester beschrijft. Elke Naam is een andere manier om onze Schepper te leren kennen. Maar de Naam Allāh wordt beschouwd als de grootste van Zijn Namen. Deze Naam is geen generieke vertaling van “god” in het Arabisch, maar Ism-e-Zaat (een eigennaam). In tegenstelling tot het Nederlandse woord “god”, kent de Naam Allāh geen meervoudsvorm of vrouwelijke variant. Waar men “goden” of “godinnen” kan zeggen en kufr (ongeloof) is, bestaat er geen equivalent voor Allāh. Hij is Eén en Uniek, verheven boven elke vorm van geslachtelijke differentiatie. En is dat niet precies zoals een Schepper zou moeten zijn? Dit verklaart Allāh Ta’ālā in surah Ikhlāṣ.

Kun je je voorstellen dat de Schepper en Onderhouder van het universum beperkt zou zijn, of partners zou hebben? De Naam Allāh betekent: Degene Die in alle opzichten Volmaakt is. Zo beschrijft de Qur’ān Hem ook. Er wordt gezegd dat de Qur’ān een spiegel is van het universum, en het universum een spiegel van de Qur’ān – omdat beide voortkomen uit dezelfde Bron. Door contemplatie van de schepping kunnen we concluderen dat deze wereld een Schepper en Onderhouder moet hebben, Die Volmaakt is, zonder beperkingen, zelfs boven geslachtelijke eigenschappen. En precies zo beschrijft de Qur’ān Hem. Dit vormt op zichzelf al een krachtig bewijs voor de waarheid van dit Boek. Andere religies leggen beperkingen op aan hun goddelijke concepten, maar alleen de islam beschrijft Hem zoals Hij werkelijk is: absoluut rein, volmaakt, zonder zwakte of gebrek – Degene Die de volledige toewijding van de schepping verdient.