Een ander antwoord op het probleem van kwaad is het besef van onze beperkte kennis. Wij denken veel te weten, maar in werkelijkheid weten we weinig. Wat wij als kwaad beschouwen, kan in werkelijkheid veel goeds bevatten. En wat wij als goed beschouwen, kan veel kwaad in zich dragen. Wij kunnen het niet beoordelen. Alleen Hij, Wiens Kennis Volmaakt is, kan dat.
Daarom is het deel van onze aanbidding dat wij Zijn oordeel accepteren. Omdat we erkennen dat onze kennis beperkt is, en Zijn kennis absoluut is.
Ar-Raḥmān en Ar-Raḥīm: Essentiële en actieve Genade
In de Bismillāh gebruikt Allāh twee Namen die beide “Genade” betekenen, maar op verschillende manieren:
- Ar-Raḥmān: Degene Die Genadig is door Zijn Essentie. Eeuwige, allesomvattende Genade. Zelfs de heidense Arabieren erkenden dat alleen Allāh deze Naam kon dragen.
- Ar-Raḥīm: Degene Die Genadig is door Zijn daden. Hij verricht voortdurend en herhaaldelijk daden van Genade.
Deze twee Namen tonen aan dat er geen moment is waarin wij buiten Zijn Genade vallen. Op elk moment worden wij omhuld door Zijn Essentiële Genade én Zijn actieve Genade. Zelfs in moeilijkheden is Zijn Genade aanwezig — ook al zien we het pas later.
De Bismillāh als opdracht tot toewijding
De Bismillāh is niet slechts een formule — het is een bevel. Allāh zegt: begin elke handeling in Zijn Naam. Begin elk moment van je leven in Zijn Naam. Waarom?
- Omdat Hij Allāh is: Volmaakt, Majestueus, Glorieus.
- Omdat Hij Ar-Raḥmān en Ar-Raḥīm is: de bron van extreme Genade.
Hij heeft in deze eerste āyah al vastgesteld wie Hij is en wie wij zijn:
|
Hij |
Wij |
|
De Meester |
De dienaren |
|
De Volmaakte |
De afhankelijken |
|
De Schepper |
De geschapenen |
|
De Voorziener |
De ontvangers |
|
De Genadige |
De behoeftigen |
Wat is dan de logische consequentie van dit besef? Volledige toewijding. Dat is wat Hij van ons verwacht. En Hij toont ons in deze āyah hoe we die relatie kunnen aangaan: door Zijn Naam te noemen vóór elke handeling. Zo wijden we elke daad aan Hem.
De Qur’ān als reis naar Hem
Nog vóór we aan onze reis door de Qur’ān beginnen, is onze bestemming al duidelijk: Hij. Elke āyah die we leren, moeten we benaderen met de vraag:
- Hoe brengt deze āyah mij dichter tot Hem?
- Toont deze āyah mij een pad om te volgen of te vermijden?
- Roept deze āyah op tot een handeling of tot het nalaten ervan?
Dit zijn de vragen die we moeten stellen, InshāʾAllāh, bij elke stap in onze studie van dit Boek.
Bronnen
Heilige Qur’ān
Qur’ān. (n.d.). Surah al-Fātiḥah (1:1); Surah al-Baqarah (2:38, 2:117); Surah Āl ʿImrān (3:142); Surah al-Anʿām (6:59); Surah al-A’rāf (7:56); Surah al-Rūm (30:41); Surah al-Naml (27:30); Surah al-Raʿd (13:28); Surah al-Nahl (16:18, 16:36); Surah al-Anbiyāʾ (21:107); Surah al-Fuṣṣilat (41:6); Surah al-Mulk (67:19); Surah al-Jāthiyah (45:13).
Tafsīr en klassieke werken
Al-Rāzī, F. (n.d.). Tafsīr al-Kabīr.
Al-Qurṭubī, M. (n.d.). Al-Jāmiʿ li-Aḥkām al-Qur’ān (Deel 1, p. 92; Deel 3, p. 45; Deel 5, p. 112).
Azīzī, M. (n.d.). Tafsīr ʿAzīzī.
Ibn Kathīr, I. (n.d.). Tafsīr al-Qur’ān al-ʿAẓīm (Deel 1, p. 18, 22; Deel 2, p. 112).
Ibn Kathīr, I. (n.d.). Al-Bidāyah wa-n-Nihāyah.
Al-Ghazālī, A. (n.d.). Al-Maqṣad al-Asnā fī Sharḥ Asmāʾ Allāh al-Ḥusnā.
Ḥadīth
Al-Bukhārī, M. I. (n.d)