Onderwerping aan de Meester: Een veelgehoorde vraag is: “Als Allāh zo genadig is, waarom laat Hij dan kwaad en lijden toe?” Het eerste antwoord is: het is niet aan ons om onze Meester te ondervragen. Allāh is niet alleen onze Schepper en Onderhouder, maar ook onze Heer en Meester. Hij heeft ons geschapen om Hem te aanbidden én te dienen. Onze enige zorg zou moeten zijn: “Wat kan ik doen om Hem nu te behagen?” Als dat ons levensdoel is, dan vervalt de behoefte om zulke vragen te stellen.

Het leven als beproeving: Het tweede antwoord is dat dit leven slechts een test is. Zou Allāh zielen zoals de onze – gevoelig, bewust, reflectief – geschapen hebben om slechts enkele jaren te leven en dan te verdwijnen? Nee. Er is een hiernamaals, en dat is het ware leven: vol vrede, vreugde en voldoening. Deze wereld is niet geschapen voor geluk, maar voor beproeving. Allāh zegt: “Denken jullie dat jullie het Paradijs zullen binnengaan zonder dat Allāh degenen onder jullie heeft beproefd die hebben gestreden en degenen die geduldig zijn?” (Qur’ān 3:142). Beproevingen zijn voorwaarden voor toegang tot het Paradijs. Ze zijn ook een middel om zonden te wissen. Geen mens is zonder zonde, behalve de profeten. Daarom is het een genade dat Allāh ons beproevingen geeft om ons te zuiveren.

Beproevingen brengen ons dichter tot Hem: Wie leeft in gemak en overvloed, kan gemakkelijk arrogant worden en zijn Schepper vergeten. Maar wie geconfronteerd wordt met lijden, herinnert zich zijn zwakte en wendt zich tot Allāh. Hij smeekt om hulp, en in die smeekbede ligt een verborgen zegen: nabijheid tot Allāh.

Vrije wil en menselijke verantwoordelijkheid: Een derde antwoord is dat veel kwaad voortkomt uit onze eigen keuzes. Allāh heeft ons vrije wil gegeven – een eer die de rest van de schepping niet heeft. De rest is altijd in onderwerping, maar wij mogen kiezen. En onze keuzes hebben gevolgen. Uiteindelijk komt het neer op: Kiezen we voor Hem, of voor onszelf? Hij verdient onze toewijding, maar vaak kiezen we voor ons ego.

Kwaad als gevolg van menselijke keuze

Wanneer wij ervoor kiezen om voor onszelf te leven en ons af te keren van Allāh (Subḥānahu wa Ta’ālā), wat anders kunnen we dan verwachten dan kwaad als gevolg? Allāh zegt in de Qur’ān:

ظَهَرَ ٱلْفَسَادُ فِي ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ بِمَا كَسَبَتْ أَيْدِي ٱلنَّاسِ لِيُذِيقَهُمْ بَعْضَ ٱلَّذِي عَمِلُواْ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ

“Corruptie is verschenen op land en zee door wat de handen van de mensen hebben verricht.” (Qur’ān 30:41).

Hoe kunnen we dan verbaasd zijn over het kwaad en lijden in de wereld, als we kijken naar de toestand van onze harten? Hoe velen van ons herinneren Allāh? Hoe velen wijden hun leven aan Hem zoals we weten dat we zouden moeten? De meesten van ons hebben zich afgekeerd van het doel van onze schepping. En toch verwachten we Zijn Genade, en stellen we vragen over het kwaad dat we zien. Ja, Hij is Genadig. Maar Hij is ook Majestueus en Glorieus. Hij verdient het niet om genegeerd te worden. Hij verdient onderwerping en dienstbaarheid. In plaats van te vragen, moeten we onszelf hervormen. We moeten terugkeren naar Hem. Als ieder van ons dit doet, en anderen daartoe oproept, dan InshāʾAllāh zal de wereld verbeteren.