Hoewel we de Bismillāh bij elke handeling zouden moeten zeggen, is een van de belangrijkste momenten om dit te doen vóór het reciteren van de Heilige Qur’ān. Aangezien we de Qur’ān benaderen als bron van leiding, is er geen moment waarop we meer behoefte hebben aan Allāhs hulp en Zijn welbehagen dan wanneer we Zijn Boek lezen en bestuderen. Hij wil dat we Zijn Naam noemen en Hem aanroepen wanneer we Zijn Boek naderen. Daarom heeft Hij deze āyah als eerste vers geplaatst in bijna elke Surah. Dit is Zijn manier om ons eraan te herinneren dat we onze intentie moeten vernieuwen bij het benaderen van Zijn Boek: het moet altijd voor Hem zijn. We lezen, bestuderen, overdenken en verkondigen dit Boek uitsluitend voor Hem, en in al deze handelingen smeken we om Zijn hulp. Bismillāh is een onderdeel van een volledige āyah (vers) van de Heilige Qur’ān, maar maakt geen deel uit van elke Surah (hoofdstuk). Met uitzondering van Surah at-Taubah (de spijtbetuiging, hoofdstuk 9), begint elke Surah met Bismillāh. De glorie van Bismillāh die hier besproken wordt, betreft de formule die bovenaan elke Surah staat, behalve bij Surah at-Taubah.
De Bismillāh als goddelijke eed
Een andere belangrijke reden waarom Allāh Ta’ālā de suwār van de Qur’ān begint met de Bismillāh is dat Hij daarmee een belofte aflegt in Zijn Naam dat alles in die Surah de waarheid is. Allāh spreekt altijd de waarheid, maar in de Qur’ān zweert Hij bij Zijn eigen Naam om te getuigen van de waarheid van wat Hij zegt. Door de Bismillāh vóór een Surah te plaatsen, zweert Hij dat alles in die Surah waar is. Alles wat de Surah bevat aan informatie moet zonder twijfel geloofd worden, en alles wat het bevat aan wetten moet zonder voorbehoud gevolgd worden. Als er iets in de Qur’ān is dat moeilijk te accepteren is, herinner jezelf dan eraan dat de Heer en Meester van het universum een eed heeft afgelegd in Zijn eigen Naam over wat in dit Boek staat.