Inleiding

Observeren is een belangrijk onderdeel van het werk van pedagogisch medewerkers en onderwijsassistenten. Door kinderen gericht te observeren krijg je inzicht in hun ontwikkeling, gedrag, mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften. De verzamelde informatie wordt vastgelegd in een kindvolgsysteem. Dit systeem helpt professionals om de ontwikkeling van kinderen te volgen en tijdig in te spelen op eventuele behoeften of opvallende ontwikkelingen. Daarom is het belangrijk dat je kennis hebt van verschillende observatiemethoden en dat je bewust en objectief kunt observeren.

8.1 Reguliere observatie

In de kinderopvang en het basisonderwijs worden kinderen regelmatig geobserveerd. Soms gebeurt dit omdat er een aanleiding is, zoals een gedragsverandering of een mogelijke ontwikkelingsachterstand. Observaties kunnen echter ook plaatsvinden zonder specifieke aanleiding. Deze vorm wordt reguliere observatie genoemd.

Reguliere observaties worden gebruikt om de ontwikkeling van kinderen systematisch te volgen en gegevens te verzamelen voor het kindvolgsysteem. Hierin worden belangrijke gegevens vastgelegd over de ontwikkeling, mogelijkheden, behoeften en het welzijn van het kind.

8.2 Doel van reguliere observaties

Kindercentra en scholen zijn gericht op zowel groepsbegeleiding als individuele begeleiding. Observaties helpen professionals om inzicht te krijgen in de behoeften van individuele kinderen en van de groep als geheel.

De informatie uit reguliere observaties heeft als doel:

  • zoveel mogelijk informatie verzamelen over individuele kinderen en de groep;
  • inzicht krijgen in de behoeften van een kind;
  • de beste aanpak bepalen voor een kind of groep;
  • ouders informeren over de ontwikkeling van hun kind;
  • teams inzicht geven in het welzijn en functioneren van kinderen binnen de groep.

8.3 Longitudinale en cross-sectionele observatie

Er zijn verschillende manieren om te observeren.

  • Een longitudinale observatie is een observatie waarbij een kind gedurende een langere periode wordt gevolgd. Hierdoor ontstaat een goed beeld van de ontwikkeling door de tijd heen.
  • Een cross-sectionele observatie richt zich op meerdere kinderen tegelijk. Hierbij wordt meestal één specifiek ontwikkelingsgebied onderzocht, zodat kinderen onderling kunnen worden vergeleken.

Vaak wordt gebruikgemaakt van observatieformulieren. Observaties vinden plaats tijdens vrij spel of tijdens speciaal ontworpen activiteiten waarmee een bepaald ontwikkelingsgebied goed zichtbaar wordt.

8.4 Observeren van ontwikkelingsgebieden

Bij observaties wordt gekeken naar verschillende ontwikkelingsgebieden, waaronder:

  • zelfredzaamheid;
  • weerbaarheid;
  • creativiteit;
  • taalontwikkeling;
  • spelgedrag;
  • motorische ontwikkeling.

Bij elk ontwikkelingsgebied wordt rekening gehouden met wat op een bepaalde leeftijd verwacht mag worden.

8.5 Zelfredzaamheid, weerbaarheid en creativiteit

  • Zelfredzaamheid is het vermogen van een kind om dagelijkse handelingen zelfstandig uit te voeren. Tijdens observaties wordt gekeken naar wat een kind zelfstandig kan doen, zoals zichzelf aankleden, eten of naar het toilet gaan.
  • Weerbaarheid verwijst naar het vermogen van een kind om voor zichzelf op te komen en zich staande te houden binnen een groep. Een weerbaar kind durft grenzen aan te geven en kan aangeven wanneer iets niet prettig voelt.
  • Creativiteit heeft betrekking op de manier waarop een kind experimenteert, ontdekt en nieuwe oplossingen bedenkt. Hierbij kijk je bijvoorbeeld of een kind verschillende manieren bedenkt om met materialen te spelen of steeds nieuwe toepassingen voor speelgoed vindt.

8.6 Taalontwikkeling, spelgedrag en motoriek

Bij de taalontwikkeling observeer je onder andere:

  • woordenschat;
  • zinsbouw;
  • taalbegrip;
  • uitspraak van klanken.

Bij spelgedrag kijk je naar de wijze waarop een kind speelt en samenwerkt met anderen. Speelt het kind samen met andere kinderen of vooral naast hen? Heeft het plezier in het spel? En past het spelgedrag bij de leeftijd van het kind?

Bij de observatie van de motorische ontwikkeling onderscheid je:

  • grove motoriek: grote bewegingen zoals lopen, springen, rennen, rollen en klimmen;
  • fijne motoriek: kleine, nauwkeurige bewegingen zoals tekenen, knippen, schrijven en veters strikken.

8.7 Observatiemethoden

Binnen de kinderopvang en het basisonderwijs worden verschillende observatiemethoden gebruikt. Sommige methoden zijn gericht op individuele kinderen, terwijl andere vooral inzicht geven in groepsprocessen.

Veelgebruikte observatiemethoden zijn:

  • Focus op Kinderen;
  • Werken aan Welbevinden;
  • Ontwikkelingsvolgmodel (OVM);
  • Ontluikingsvolgsysteem voor baby’s en peuters;
  • ABC-schema;
  • KIJK!

Elke methode heeft een eigen doel, doelgroep en werkwijze.

8.8 Focus op Kinderen

Focus op Kinderen is een observatiemethode voor kinderen van nul tot twaalf jaar. De methode wordt veel gebruikt binnen kindercentra en buitenschoolse opvang.

Het doel van deze methode is inzicht krijgen in:

  • de ontwikkeling van het kind;
  • het welbevinden van het kind;
  • de behoeften van individuele kinderen;
  • het functioneren van de groep.

Welbevinden verwijst naar de mate waarin een kind zich lichamelijk, emotioneel en sociaal prettig voelt.

Werkwijze: Gedurende enkele weken per jaar worden observaties uitgevoerd. Hierbij worden zowel groepsobservaties als individuele observaties gedaan. De verzamelde gegevens worden besproken binnen het team en met ouders. Op basis van de observaties kunnen pedagogisch medewerkers hun werkwijze aanpassen, bijvoorbeeld door activiteiten beter af te stemmen op de behoeften van kinderen.

De methode maakt gebruik van:

  • observatieformulieren;
  • groepsobservaties;
  • individuele observaties;
  • gespreksformulieren voor ouders;
  • planningsdocumenten.

8.9 Werken aan Welbevinden

Werken aan Welbevinden richt zich op het meten van het welbevinden van kinderen tussen nul en twaalf jaar. De methode wordt toegepast in kinderopvangorganisaties, peuterspeelzalen en soms ook in het basisonderwijs.

De methode is bedoeld als hulpmiddel voor teams om bewust na te denken over de kwaliteit van de opvang en het pedagogisch klimaat.

Daarnaast kan de methode worden gebruikt om individuele kinderen te volgen en om informatie te verzamelen voor oudergesprekken en het kindvolgsysteem.

Werkwijze: Voorafgaand aan de observaties vullen medewerkers vragenlijsten in over de kwaliteit van de opvang. Ook ouders kunnen vragenlijsten invullen. Tijdens de observaties wordt gekeken naar verschillende kenmerken van welbevinden:

  • open of gesloten gedrag;
  • nieuwsgierig of afwerend gedrag;
  • levenslustig of lusteloos gedrag;
  • tevreden of ontevreden gedrag;
  • ontspannen of gespannen gedrag;
  • zelfverzekerd of onzeker gedrag;
  • evenwichtig of onevenwichtig gedrag.

De resultaten worden vastgelegd op observatielijsten en vervolgens besproken binnen het team. Hierdoor ontstaat inzicht in het welzijn van kinderen en de kwaliteit van de pedagogische omgeving.

Samenvatting

Observeren helpt pedagogisch medewerkers en onderwijsassistenten om kinderen goed te begeleiden in hun ontwikkeling. Door systematisch te observeren en gebruik te maken van observatiemethoden zoals Focus op Kinderen en Werken aan Welbevinden, ontstaat inzicht in het gedrag, de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen. Deze informatie vormt een belangrijke basis voor passende begeleiding, oudergesprekken en het bijhouden van het kindvolgsysteem.