Inleiding
Deze les gaat over de ontwikkeling van de peuter. In deze periode verandert een hulpeloze baby geleidelijk in een zelfstandig kind met een eigen wil en persoonlijkheid. Daarnaast besteden we aandacht aan de rol die activiteiten spelen bij de ontwikkeling van kinderen.
In de vorige les hebben we gekeken naar het begin van het leven en de ontwikkeling van de baby. In deze les richten we ons op de volgende fase in het leven van een kind: de peutertijd. Daarbij besteden we aandacht aan de fysieke, motorische, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van peuters.
Voor pedagogisch medewerkers en begeleiders van kinderen is het belangrijk om te weten hoe de normale ontwikkeling van een kind verloopt. Pas wanneer er voldoende kennis is van de gemiddelde ontwikkelingsfasen, kunnen eventuele ontwikkelingsachterstanden, opvallend gedrag of andere problemen tijdig worden herkend en goed worden geïnterpreteerd. Deze kennis vormt een belangrijke basis voor het begeleiden en stimuleren van kinderen in hun ontwikkeling.
1 Hechtingstheorie
- Hechting: blijvende diepe band van een kind met de opvoeders
- Hechtingsfiguren: gehecht aan personen die veiligheid bieden à veiligheidshechting
- Gehechtheidsgedrag: lachen, huilen, brabbelen
1.1 Cognitieve ontwikkelingstheorie van Jean Piaget
De Zwitserse psycholoog Jean Piaget deed veel onderzoek naar de denkontwikkeling van kinderen tussen de geboorte en ongeveer veertien jaar. Volgens Piaget ontwikkelen kinderen hun manier van denken stap voor stap. Hij onderscheidde verschillende fasen in de cognitieve ontwikkeling.
Een van zijn bekendste onderzoeken betreft het conservatiebegrip. Hierbij liet Piaget kinderen twee glazen zien met dezelfde hoeveelheid water. Vervolgens werd het water uit één van de glazen overgegoten in een hoger en smaller glas, terwijl de hoeveelheid water gelijk bleef. Jonge kinderen die het conservatiebegrip nog niet hebben ontwikkeld, denken vaak dat het smalle glas meer water bevat. Oudere kinderen begrijpen dat de hoeveelheid water hetzelfde blijft, ondanks de verandering van vorm van het glas. Dit onderzoek liet zien hoe het denken van kinderen zich geleidelijk ontwikkelt.
1.2 Psychosociale ontwikkelingstheorie van Erik Erikson
De psycholoog Erik Erikson beschouwde de psychische ontwikkeling als een levenslang proces. Volgens zijn theorie doorloopt ieder mens gedurende het leven acht ontwikkelingsfasen. In elke fase staat een specifieke ontwikkelingsopgave of uitdaging centraal.
Wanneer een persoon deze uitdaging succesvol doorloopt, ontwikkelt hij een belangrijke levensvaardigheid die helpt om goed te functioneren in de volgende levensfase. Voorbeelden hiervan zijn het ontwikkelen van vertrouwen, zelfstandigheid, identiteit en integriteit. De wijze waarop deze fasen worden doorlopen, heeft invloed op het latere functioneren en welzijn van een persoon.
2 De peuterfase
Tijdens de peutertijd ontwikkelt een kind steeds meer een eigen identiteit en zelfbewustzijn. Het ontdekt dat het een afzonderlijk persoon is met eigen wensen, gevoelens en voorkeuren. Peuters spelen vaak naast andere kinderen, maar nog niet echt samen met hen. Dit wordt ook wel parallel spel genoemd. Daarnaast zitten peuters vol energie, leren zij hun omgeving steeds beter begrijpen en proberen zij steeds meer invloed uit te oefenen op wat er om hen heen gebeurt. Voor opvoeders is dit vaak een intensieve maar belangrijke fase in de ontwikkeling van het kind.
2.1 Beweeglijk lijf (motorische ontwikkeling)
De motorische ontwikkeling speelt een belangrijke rol tijdens de peutertijd. Vooral de grove motoriek maakt grote sprongen. Peuters zijn voortdurend in beweging en hebben voldoende ruimte nodig om te spelen, rennen, klimmen, dansen en bewegen. Door deze activiteiten leren zij hun lichaam beter kennen en ontwikkelen zij hun evenwicht en coördinatie. Ook de fijne motoriek ontwikkelt zich verder. Activiteiten zoals puzzelen, knutselen, kleuren en spelen met bouwmaterialen helpen peuters bij het verfijnen van hun hand- en vingerbewegingen.
2.2 Differentiatiefase (cognitieve ontwikkeling)
Tijdens de peutertijd verloopt de taalontwikkeling bijzonder snel. De woordenschat groeit van ongeveer 250 woorden naar wel 1.500 woorden. Peuters leren hun gevoelens onder woorden te brengen, eenvoudige zinnen te vormen en vragen te beantwoorden. Deze ontwikkeling kan gestimuleerd worden door veel met kinderen te praten en naar hen te luisteren.
Om de taalontwikkeling te ondersteunen, is het belangrijk om:
- duidelijk en correct te spreken;
- samen boekjes te lezen;
- te praten over onderwerpen die aansluiten bij de belevingswereld van het kind;
- oogcontact te maken;
- het kind actief aan te moedigen om te praten en vragen te stellen.
2.3 Het middelpunt (sociaal-emotionele ontwikkeling)
Door het groeiende ik-besef ontdekt de peuter dat hij invloed kan uitoefenen op zijn omgeving. Hierdoor vraagt hij vaak veel aandacht en kan hij driftig reageren wanneer hij zijn zin niet krijgt. Ook kan hij weigeren om opdrachten uit te voeren. Hoewel de peuter steeds beter weet wat goed en fout is, begrijpt hij nog niet altijd waarom regels bestaan. Daarom experimenteert hij regelmatig met grenzen. Deze periode wordt vaak aangeduid als de koppigheidsfase of peuterpuberteit.
Als opvoeder of begeleider is het belangrijk om rustig, vriendelijk en consequent te blijven. Op deze manier leert de peuter omgaan met regels, grenzen en de behoeften van anderen.
2.4 Zintuigen ontwikkelen (lichamelijke ontwikkeling)
Na de snelle lengtetoename tijdens de babyfase groeit het kind in de peutertijd meer in de breedte. Het gewicht neemt toe en het lichaam krijgt geleidelijk andere verhoudingen. Daarnaast ontwikkelen de zintuigen zich verder. Deze ontwikkeling kan worden gestimuleerd door kinderen te laten spelen met verschillende materialen, zoals zand, water, zachte en harde voorwerpen, licht en geluid.
Voldoende slaap blijft essentieel voor een gezonde groei en ontwikkeling. De slaapbehoefte verschilt per kind en kan zelfs van dag tot dag variëren. Een vast slaap-waakritme helpt kinderen wennen aan rust en regelmaat.
2.5 Exploratiegedrag (motorische ontwikkeling)
Rond het eerste levensjaar zet een dreumes meestal zijn eerste voorzichtige stapjes. Aan het einde van de dreumestijd is het kind vaak volledig mobiel. De motorische ontwikkeling verloopt in deze periode zeer snel. Klimmen, kruipen, lopen, vallen, opstaan, voorwerpen onderzoeken en dingen in de mond stoppen maken allemaal deel uit van het ontdekken van de wereld.
Voor begeleiders en opvoeders is het belangrijk een goede balans te vinden tussen het bieden van ruimte om te onderzoeken en het stellen van duidelijke grenzen. Zo kan het kind zich veilig ontwikkelen.
2.6 Toepassen (cognitieve ontwikkeling)
Dreumesen leren vooral door zelf ervaringen op te doen. Door te experimenteren ontdekken zij hoe de wereld werkt. Zo leren zij bijvoorbeeld dat een weggegooid voorwerp vaak door iemand anders wordt teruggegeven. Door dergelijke ervaringen leren zij zowel zichzelf als hun omgeving beter kennen.
Deze ontwikkeling wordt ook wel de sensomotorische ontwikkeling genoemd. Hierbij werken waarnemen en bewegen nauw samen. Daarnaast breidt de woordenschat zich snel uit. Het is belangrijk om te beseffen dat een dreumes vaak veel meer begrijpt dan hij zelf kan zeggen. Dit kan soms tot frustratie leiden.
2.7 Imitatie (sociaal-emotionele ontwikkeling)
Dreumesen leren veel door het gedrag van anderen na te bootsen. Vooral ouders, verzorgers en pedagogisch medewerkers fungeren als belangrijke voorbeelden. Door observatie en imitatie leert het kind hoe mensen met elkaar omgaan en hoe de wereld werkt.
Daarnaast wordt het verschil tussen zichzelf en anderen steeds duidelijker. Het kind ontdekt dat zijn gedrag gevolgen heeft voor de omgeving en gaat experimenteren met deze effecten. Hierdoor ontwikkelt het zich sociaal en emotioneel verder.
3 Ontdekking van het eigen lichaam
Tijdens de dreumes- en peutertijd ontdekt het kind steeds meer over zijn eigen lichaam, waaronder de verschillen tussen jongens en meisjes. Nieuwsgierigheid naar het eigen lichaam is een normaal onderdeel van de ontwikkeling. Het is belangrijk dat opvoeders hier op een rustige en positieve manier mee omgaan.
Tegelijkertijd kunnen kinderen leren dat het lichaam privé is en dat zij respectvol omgaan met de grenzen van zichzelf en anderen. Zo wordt een basis gelegd voor respect, zelfvertrouwen en gezonde sociale omgangsvormen.