Inleiding

Deze les gaat over de ontwikkeling van het schoolkind. In deze fase leert het kind steeds zelfstandiger denken en worden vriendschappen steeds belangrijker. Daarnaast besteden we aandacht aan taalgericht werken en de relatie daarvan met de cognitieve ontwikkeling van schoolgaande kinderen.

De periode van zes tot twaalf jaar wordt de schoolleeftijd genoemd. School neemt een steeds belangrijkere plaats in binnen de belevingswereld van het kind. Omdat kinderen een groot deel van hun tijd op school doorbrengen, levert school naast de ouders ook een belangrijke bijdrage aan de opvoeding. Leeftijdsgenoten gaan een grotere rol spelen en oefenen steeds meer invloed uit op het gedrag en de ontwikkeling van het kind.

Schoolkinderen zijn meestal intrinsiek gemotiveerd om te leren. Nieuwe kennis en vaardigheden worden vaak snel opgenomen en kinderen beleven doorgaans veel plezier aan het leerproces. Deze leeftijdsfase wordt daarom ook wel een gevoelige periode voor leren genoemd. Presteren, zowel op school als daarbuiten, speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het zelfbeeld. In deze les staan de lichamelijke, motorische, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van het schoolkind centraal.

1 Kenmerken van een schoolkind

Een schoolkind is doorgaans tussen de zes en twaalf jaar oud. In deze periode groeit het kind verder in lengte en gewicht en ontwikkelt het zich op lichamelijk, cognitief en sociaal-emotioneel gebied. Het leert zelfstandig denken, ontwikkelt een eigen mening en hecht steeds meer waarde aan vriendschappen en groepsverbanden.

2 Harmonieus lichaam (lichamelijke ontwikkeling)

Tijdens de schoolleeftijd zijn de lichaamsverhoudingen over het algemeen goed in balans. Het lichaam groeit geleidelijk en harmonieus. In de laatste jaren van deze fase worden de verschillen tussen jongens en meisjes steeds duidelijker zichtbaar. Meisjes beginnen vaak eerder aan hun groeispurt dan jongens en kunnen daardoor tijdelijk langer zijn. Bij jongens neemt geleidelijk de spiermassa toe.

Door de aanmaak van hormonen, zoals oestrogeen bij meisjes en testosteron bij jongens, worden de eerste kenmerken van de puberteit zichtbaar. Deze hormonale veranderingen beïnvloeden niet alleen de lichamelijke ontwikkeling, maar ook gevoelens en emoties. Hierdoor kunnen kinderen soms stemmingswisselingen ervaren. Omdat deze ontwikkelingen voorafgaan aan de puberteit, spreken we van de prepuberteit.

3 Prepuberteit

De prepuberteit vormt de overgang tussen de kindertijd en de puberteit. In deze fase bereidt het lichaam zich voor op de veranderingen die tijdens de puberteit plaatsvinden. Kinderen worden zich meer bewust van hun lichaam, emoties en sociale relaties. Dit kan leiden tot onzekerheid, nieuwsgierigheid en wisselende gevoelens.

4 Motorische ontwikkeling

Zowel de grove als de fijne motoriek zijn tijdens de schoolleeftijd sterk ontwikkeld. Ook de oog-handcoördinatie functioneert steeds beter. Hierdoor kunnen kinderen nauwkeurig schrijven, tekenen, knutselen en sporten. Hun toenemende kracht, uithoudingsvermogen en coördinatie zorgen ervoor dat zij steeds vaardiger worden in verschillende bewegingsactiviteiten.

Het is belangrijk dat kinderen voldoende mogelijkheden krijgen om te bewegen en nieuwe vaardigheden uit te proberen. Een veilige en stimulerende omgeving draagt bij aan een gezonde motorische ontwikkeling en een positief zelfbeeld.

5 Cognitieve ontwikkeling: van concreet naar abstract denken

De schoolleeftijd is een belangrijke periode voor de ontwikkeling van logisch denken, technisch inzicht en probleemoplossend vermogen. Kinderen leren ordenen, classificeren en verbanden leggen. De taalontwikkeling is inmiddels ver gevorderd, waardoor zij leren lezen, schrijven en rekenen.

Volgens Jean Piaget bevinden kinderen zich in deze fase in de concreet-operationele fase. Zij kunnen logisch nadenken over concrete situaties en begrijpen steeds beter oorzaak-gevolgrelaties. Daarnaast leren zij plannen, analyseren en reflecteren op hun eigen handelen.

Gedurende deze periode ontstaat geleidelijk het vermogen om abstract te denken. Kinderen leren nadenken over situaties die niet direct zichtbaar of waarneembaar zijn. Hierdoor krijgen zij meer inzicht in zichzelf en in de manier waarop anderen hen zien. Positieve ervaringen dragen bij aan een gezond zelfbeeld, terwijl herhaalde negatieve ervaringen kunnen leiden tot onzekerheid of een negatief zelfbeeld.

6 Identificatie en vriendschappen (sociaal-emotionele ontwikkeling)

In deze levensfase verschuift de aandacht steeds meer van het gezin naar leeftijdsgenoten. Vriendschappen worden belangrijker en kinderen besteden veel aandacht aan het verkrijgen van acceptatie binnen een groep. Tegelijkertijd willen zij hun eigen identiteit ontwikkelen en uniek zijn.

Veel kinderen hebben idolen of rolmodellen waarmee zij zich identificeren. Door anderen na te bootsen ontdekken zij wie zij zijn en welke plaats zij innemen binnen de groep. Soms kan de behoefte om erbij te horen leiden tot onzeker gedrag of zelfs pestgedrag. Daarom is het belangrijk dat volwassenen aandacht besteden aan sociale veiligheid, respect en zelfvertrouwen.

7 Lichamelijk contact en ontwikkeling van relaties

Lichamelijk contact blijft een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van schoolkinderen. Tijdens het spelen, sporten en samenwerken is er veel lichamelijke interactie. Daarnaast worden kinderen zich steeds bewuster van verschillen tussen jongens en meisjes.

Volgens Freud bevindt het kind zich in deze periode in de latente fase. In deze theorie staat sociale ontwikkeling centraal en krijgt seksualiteit minder nadruk dan in eerdere en latere ontwikkelingsfasen. Kinderen kunnen nieuwsgierig zijn naar relaties, verliefdheid en lichamelijke veranderingen, maar ervaren tegelijkertijd vaak gevoelens van schaamte of onzekerheid. Het is belangrijk dat opvoeders en pedagogisch medewerkers ruimte bieden voor vragen en een open, respectvolle houding aannemen.