Waardoor verschillen organisaties?

  1. Omgeving: activiteiten, omvang, regels, eigendom.
  2. Keuzes: strategie, kwaliteit, leidinggeven, personeel, delegeren, beheersing (control) en verantwoording.
  3. Cultuur: de mensen in de organisatie en de wijze waarop ze gewend zijn met elkaar om te gaan (ongeschreven regels)

Organisatiedoelen versus individu

Gemeenschappelijk (werkgever/werknemer):

  1. Die order moet morgen klaar zijn!
  2. Wij moeten ons meer richten op de klant.
  3. Sales en onderhoud moeten beter afstemmen.
  4. De kantoorkosten moeten omlaag.

Individueel (werknemers):

  1. Ik wil meer salaris
  2. Ik wil een betere functie
  3. Ik wil meer erkenning
  4. Wij willen een personeelsfeestje.

Directe omgeving: bestaat uit de marktpartijen van de onderneming op haar in- en verkoopmarkten. Het gaat daarbij om verschillende schakels in de bedrijfskolom, zoals de toeleveranciers, de distributieschakels en de uiteindelijke afnemers.

Stakeholders

  • Afnemers (kredietwaardigheid, -limiet)
  • Medewerkers (geheimhouding, integer)
  • Leveranciers (voortbestaan, tijdige levering, kwaliteit)
  • Kredietverschaffers (aandelen, bank, onderhandse lening)
  • Belangenorganisaties (VNO, MKB, Consumentenbond, FNV)
  • Overheid (fiscus, politiek, vergunningen)

Indirecte omgeving: DESTEP (demografische, ecologische, sociale, technologische, economische en politieke variabelen) die de indirecte omgeving bepalen.

Ondernemingsraad

De ondernemingsraad (OR) behartigt de belangen van het personeel in een onderneming. De OR mag ook meepraten over bedrijfseconomische beslissingen van de directie.

Bedrijven en organisaties met:

  1. Meer dan 50 medewerkers moeten een ondernemingsraad (OR) hebben.
  2. Tussen 10 en 50 medewerkers is OR niet verplicht, maar wel verplicht is een personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergaderingen organiseren.
  3. Minder dan 10 medewerkers niet verplicht, maar een personeelsoverleg bevorderd samenwerken en problemen oplossen.

Taken Ondernemingsraad

Een OR overlegt over het ondernemingsbeleid en de personeelsbelangen. Zo bevordert de OR dat:

Een OR overlegt over het ondernemingsbeleid en de personeelsbelangen. Zo bevordert de OR dat:

  1. Er voldoende werkoverleg is;
  2. Er goede arbeidsomstandigheden zijn; 
  3. Regels voor arbeidsvoorwaarden, arbeidstijden en rusttijden worden nageleefd; 
  4. Medewerkers gelijk behandeld en beloond worden; 
  5. Een bedrijf of organisatie mensen met een beperking en mensen met een migratieachtergrond in dienst neemt.

Bedrijfskolom

De bedrijfskolom is de naam voor de opeenvolgende stappen (participanten of schakels in het voortbrengingsproces) die een product of een dienst doormaakt, voordat het bij de klant, de consument is.

  1. In een bedrijfskolom staan boven in de grondstoffen en onder in de detailhandel. Het product komt uiteindelijk bij de consument terecht, echter deze maakt geen deel uit van de bedrijfskolom.
  2. Elke schakel in een bedrijfskolom wordt een bedrijfstak genoemd: een aantal categorieën bedrijven die per categorie een opeenvolgende functie hebben in het verzamelen, produceren of distribueren van goederen en bijbehorende diensten. Een bedrijfstak bestaat uit branches: een groep organisaties die niet alleen dezelfde productie- of distributietechnieken hanteert, maar ook grotendeels dezelfde producten levert.
  3. De bedrijfskolom bestaat uit de achtereenvolgende fasen die een product doorloopt op zijn weg van oer producent tot en met detaillist. De verschillende handelingen in een bedrijfskolom noemt men de bedrijfstakken.

Voorbeelden zijn: Detaillisten, groothandel, zagerij en oer producent.

Bewegingen binnen de bedrijfskolom

Parallellisatie betekent dat een bedrijf zijn assortiment gaat verbreden en is dus het tegenovergestelde van specialisatie. Een bedrijf gaat dus meer soorten goederen verkopen of produceren. Producten uit een andere bedrijfskolom die in hetzelfde stadium verkeren worden nu door hetzelfde bedrijf geproduceerd. Bijvoorbeeld: een supermarkt in een benzinestation

Specialisatie is het zich toeleggen op iets specifieks. Dit kan op verschillende gebieden: In de studie wordt een specifieke afstudeerrichting ook wel een specialisatie genoemd. Zo heeft men bijvoorbeeld in de medische wetenschap vele medisch specialismen. Met de industriële revolutie is in de economie een vergaande arbeidsdeling doorgevoerd. Een specifiek beroep wordt ook wel een specialisatie genoemd. Bijvoorbeeld kledingzaak gaat alleen mannenmode verkopen.

Bij differentiatie in de bedrijfseconomie stoot een bedrijf een activiteit in de bedrijfskolom af. Bijvoorbeeld via outsourcing.

Integratie is waarbij een bedrijf een extra activiteit uit de bedrijfskolom gaat uitvoeren. Bij differentiatie wordt de bedrijfskolom langer, bij integratie wordt de bedrijfskolom korter. Voorbeeld achterwaartse integratie: een steenfabriek die ook een klei winput beheert (producent + leverancier).

Bijvoorbeeld:

  • Als de groentehandelaar besluit om zelf zijn groente in kassen te gaan verbouwen, dan is er sprake van integratie. Stoot hij de kassen weer af en gaat hij zijn groente bij een tuinder bestellen, dan is er sprake van differentiatie.
  • Als een ambachtelijke kaasproducent zijn producten zelf in een boerderijwinkel gaat verkopen, dan is dat integratie.
  • De grote olieconcerns zijn een voorbeeld van integratie: de gehele bedrijfskolom, van de oliebron tot de benzinepomp wordt door hetzelfde bedrijf bediend.

Samenwerking tussen bedrijven

Een fusie is het samengaan van economische of sociale eenheden die voorheen zelfstandig waren. Dit kunnen bedrijven zijn, maar ook verenigingen. Het grote verschil tussen een fusie en een overname is dat een fusie gelijkheid tussen beide partners impliceert en een overname ongelijkheid (de overnemende partij krijgt het dan voor het zeggen).

Een joint venture is een zakelijke entiteit die is opgericht door twee of meer partijen, over het algemeen gekenmerkt door gedeeld eigendom, gedeeld rendement en gedeelde risico’s en gedeeld bestuur. Bedrijven streven doorgaans naar joint ventures om een ​​van de volgende vier redenen: om toegang te krijgen tot een nieuwe markt, met name opkomende markten; Schaalvergroting behalen door activa en operaties te combineren; Risico delen voor grote investeringen of projecten; Of om toegang te krijgen tot vaardigheden en capaciteiten.

Een economisch kartel is een overeenkomst tussen bedrijven die bedoeld is om de onderlinge concurrentie te verminderen. Kartelvorming is meestal niet gewenst, daar zij het concurrentieprincipe tegenwerkt. Daarom zijn er in veel landen anti-kartelorganisaties opgezet. In Nederland is de Autoriteit Consument en Markt de waakhond tegen kartelvorming.

Een alliantie of een bondgenootschap is een verdrag tussen zakenpartners omwille van een gemeenschappelijk voordeel. Een strategische alliantie is een hechte, langdurige, voor alle partijen nuttige overeenkomst tussen twee of meer partners, waarbij kernmiddelen, kennis, en capaciteiten met elkaar worden gedeeld met als doel het verbeteren van de concurrentiepositie van alle partners.”

Voorbeeld van een strategische alliantie is die tussen Philips en Douwe Egberts die gezamenlijk werkten aan de ontwikkeling van de Senseo en coffeepads.

In de zakenwereld is een overname (ook wel acquisitie genoemd) de verwerving van een bedrijf door een ander bedrijf. Deze overname kan op verschillende manieren een onderscheid maken tussen een “vriendelijke overname” en een “vijandige overname”. In de bedrijfskunde worden bedrijfsovernames en -fusies vaak samen bestudeerd als mergers and acquisitions (M&A).

Het grote verschil met een fusie is dat een overname ongelijkheid impliceert en een fusie gelijkheid. Het overgenomen bedrijf zal onder controle van het overnemende bedrijf vallen. Meestal is het overgenomen bedrijf aanmerkelijk kleiner dan het overnemende bedrijf.

Een holding, controlemaatschappij of (centrale) houdstermaatschappij is een vennootschap die hiërarchisch gezien de hoogste maatschappij binnen een groep van maatschappijen is.

De holding is de moedermaatschappij van het concern. Hij houdt de aandelen in de andere maatschappijen van de groep (de werkmaatschappijen) en het bestuur van de holding treedt op als de gezamenlijke leiding van de groep. De holding produceert zelf niets en haalt haar winst uit de opbrengsten van de aandelenparticipaties, voornamelijk de uitgekeerde dividenden.

Sommige holdings investeren in verschillende bedrijven van uiteenlopende aard, waarbij het risico voor de eigenaars of aandeelhouders van de holding gespreid wordt; andere holdings zijn dan weer specifiek opgericht om één enkel bedrijf te controleren.

Hoe groter een onderneming, hoe moeilijker het wordt om nog een meerderheid van de aandelen te bezitten. Maar hoe groter een bedrijf hoe meer verspreid het aandeelhouderschap zal zijn. Medezeggenschap kan dan dus ook al bij een kleinere participatie.

Tot een concern kunnen ook één of meer zogenoemde tussenhoudstermaatschappijen behoren. Zo’n maatschappij treedt op als houdstermaatschappij van aandelen in andere groepsmaatschappijen die gezamenlijk bijvoorbeeld als divisie optreden.

Voorbeeld één Nederlandse holding is eigenaar van o.a. Albert Heijn, Delhaize, Etos, Gall & Gall en Bol.com

Rechtsvormen

Eenmanszaak of IB-onderneming is een bedrijfsvorm waarbij één persoon in alle opzichten verantwoordelijk is voor de onderneming, en wel rechtstreeks en persoonlijk.

Maatschap is een vorm van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, waarbij twee of meer personen of rechtspersonen (de vennoten of maten) een bepaalde samenwerking aangaan. De vennoten brengen iets in, met het doel het voordeel dat daaruit voortvloeit te delen. Ze kunnen arbeid, geld, goederen of goodwill inbrengen. Veel maatschappen worden opgericht door mensen met een vrij beroep zoals (tand)artsen, advocaten, accountants en fysiotherapeuten. Een maatschap wordt ook regelmatig opgericht voor gedeeltelijke financiering van een Nederlandse film, zie onder. Ook boerenbedrijven worden nog weleens als maatschap uitgeoefend, bijvoorbeeld van een vader en zoon, broers of een echtpaar.

Vennootschap onder firma (vof), is een eenvoudige manier waarop twee of meer personen samen een onderneming kunnen oprichten. Het betekent in feite dat zij onder een gezamenlijke naam of firma optreden. In de regel nemen zij beslissingen voor elkaar, maar anderzijds zijn zij ook aansprakelijk voor elkaars bestuur; er is dus geen beperkte aansprakelijkheid.

Commanditaire vennootschap is een speciaal soort vennootschap onder firma. In deze vennootschapsvorm zijn er één of meer beherende vennoten en één of meer stille vennoten. Deze laatste hebben slechts een financiële inbreng en worden ook wel commanditaire vennoten genoemd. De beherende vennoot is dan de gecommanditeerde vennoot; degene die bevoegd is om te handelen namens de vennootschap. Stille vennoten zijn, net als aandeelhouders van een BV slechts aansprakelijk voor het bedrag dat zij investeren. Zij mogen niet namens de vennootschap optreden. Doen zij dit toch, dan worden ze net als de beherende vennoten aansprakelijk voor alle schulden.

Besloten vennootschap is een rechtspersoon waarvan het aandelenkapitaal verdeeld is in aandelen die niet vrij overdraagbaar zijn; de aandelen staan dus op naam. De beperkte overdraagbaarheid is geregeld in de wet, maar de statuten van de vennootschap kunnen dit besloten karakter versoepelen of aan strengere regels onderwerpen. Men spreekt van toetredingsregelingen of blokkeringsregelingen, al naargelang het gezichtspunt. Meestal houdt de regeling in dat de bestaande aandeelhouders het toetreden van een nieuwe aandeelhouder moeten goedkeuren, ook als die de aandelen van een andere aandeelhouder overneemt, bijvoorbeeld door erfenis of koop. De BV houdt een aandeelhoudersregister bij: een register waaruit blijkt welke personen voor hoeveel aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap deelnemen. Een ander belangrijk kenmerk, zowel in Nederland als in België, is de beperkte aansprakelijkheid van de aandeelhouders voor schulden van de besloten vennootschap. Je een flex-BV met slechts 1 euro oprichten. BV oprichten gaat via de notaris.

Naamloze vennootschap is een rechtspersoon waarvan het maatschappelijk kapitaal verdeeld is in aandelen die in beginsel vrij overdraagbaar zijn. De NV is ‘naamloos’ omdat er bij de nv geen verplichting bestaat tot het houden van een register van aandeelhouders. De vennoten blijven als het ware buiten beeld; zij zijn anoniem. De NV is de meest geschikte vennootschap voor grootschalig aandeelhouderschap van vennoten die elkaar niet hoeven te kennen. Als de aandelen aan toonder zijn, dan is het mogelijk dat zelfs de vennootschap of het bestuur niet alle vennoten of aandeelhouders kent. Beperkte aansprakelijkheid en rechtspersoonlijkheid zijn logischerwijs verbonden met deze anonimiteit.

Coöperatie (co-op) is een vorm van zelforganisatie van producenten, verbruikers of werknemers, gericht op het vergroten van economische macht en het behalen van schaalvoordeel. De wet maakt het bestaan van een ‘coöperatieve vereniging’ in Nederland mogelijk. Coöperaties hebben een belangrijke rol gespeeld in de economische emancipatie van grote groepen van de bevolking, vooral rond de eeuwwisseling van de 19e naar de 20e eeuw. Via de coöperatie konden producenten (vooral boeren, zie ook landbouwcoöperatie) en consumenten zich verenigen en zo gezamenlijk doelen bereiken die voor elk individu onbereikbaar zouden zijn geweest, vooral op het gebied van investeringen. Wereldwijd zijn vele coöperaties actief.

Stichting is een zelfstandig vermogen dat een maatschappelijk, sociaal of ideëel doel nastreeft dat door de stichter is vastgelegd, al kan dit doel in de loop van de tijd worden aangepast. Het is een privaatrechtelijke rechtspersoon. Gemaakt winst dient in het algemeen gebruikt te worden voor het gestelde doel van de stichting en mag deze dus niet aan de oprichters of bestuursleden worden uitgekeerd. Een belangrijk verschil met verenigingen is dat een stichting geen leden heeft, al duiden sommige stichtingen hun donateurs of vrijwilligers wel zo aan.

Sinds 1 juli 2021 is de nieuwe toezichthouder wetgeving “Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen” (WBTR) in werking getreden. De regels voor het bestuur van de rechtsvormen vereniging, stichting, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij zijn veranderd. Sindsdien sluiten de regels voor toezicht en bestuur aan op die van de besloten vennootschap (bv) en de naamloze vennootschap (nv).

Naast de BV, NV, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij komt er nu ook voor verenigingen en stichtingen een wettelijke grondslag voor de invoering van een raad van commissarissen (RvC), ook wel raad van toezicht (RvT) genoemd. Dit was al mogelijk door het in de statuten te benoemen, maar het stond nog niet in de wet. Een RvC bewaakt het beleid en de algemene gang van zaken. Een RvC is niet verplicht.

Organisatiecultuur

Organisatiecultuur is de verzameling van normen, waarden en gedragsuitingen die gedeeld worden door de leden van de organisatie en de leden aan elkaar en aan de organisatie bindt. De organisatiecultuur is vaak zichtbaar in verschillende aspecten van een organisatie zoals werkuren en bedrijfsstructuur. De organisatiecultuur kan zich ook uiten in uiterlijkheden, zoals kleding, inrichting en omgangsvormen. Sommige leden van de organisatie hebben door hun positie, kennis of uitstraling een grotere invloed op de cultuur dan anderen. Een organisatiecultuur die eenmaal is gevestigd, kan zo sterk zijn dat nieuwe leden in de organisatie zich de daarbij behorende gedragingen, houding en normen snel eigen maken.

Machtscultuur (baas-gericht)
Deze cultuur wordt gekenmerkt door een forse waarde die een organisatie, met de name de leiding, hecht aan macht. Er is sprake van een sterke leider (de baas) die de organisatie bestuurt alsook zijn er weinig regels en derhalve beperkte bureaucratie. Beheersing geschiedt vanuit een centraal punt waarbij de macht wordt gedelegeerd naar sleutelfiguren binnen de organisatie. Tevens zijn resultaten het criterium voor succes en wordt er meer waarde gehecht aan de individuele prestaties dan aan samenwerking.

Rolcultuur (functiegericht)
Deze cultuur kenmerkt zich door hiërarchie, rechten, plichten, afspraken, regels en regelmaat. Beheersing vindt plaats door procedures, regels alsook functiebeschrijvingen. Rol en status zijn doorgaans belangrijker dan de prestatie waardoor vaak bureaucratie ontstaat met als gevolg een inflexibele organisatie.

Taakcultuur (resultaatgericht)
Deze cultuur kenmerkt zich door probleemoplossend vermogen, prestaties en over de coördinatie geldt als uitgangpunt wat het werk aan eisen stelt. Deskundigheid, flexibiliteit en dynamiek staan hierbij sterk centraal. Opgemerkt dient te worden dat door de flexibiliteit en dynamiek een dergelijke organisatie doorgaans moeilijker te besturen zijn.

Persoonscultuur (mensgericht)
Hierbij gaat het om een cultuur die zich kenmerkt door het centraal stellen van het individu. Individuele belangen en ontwikkelingen, gedeelde interesses en waarden zijn hier het bindend element. Verder kenmerkt deze cultuur zich door beperkte regels, wat overigens kan leiden tot coördinatieproblemen. Verder kent persoonlijk succes voorrang op het succes van de organisatie als geheel.