De letterlijke betekenis van ‘Islam’ is ‘zich overgeven en onderwerpen’. Rasūlullāh ﷺ legde uit dat het woord ‘Islam’ de naam was van de vijf basispijlers in de Islam, als volgt:
- Rasūlullāh ﷺ zei dat de eerste van de vijf fundamenten van Islam was: “het uitspreken van de kalimat ash‑shahāda”; dat wil zeggen, men moet zeggen: “Ash’hadu an lā ilāha illAllāh wa Ash’hadu anna Muḥammadan ’abdûhu wa Rasûluhû.”
Met andere woorden: een verstandig persoon die de leeftijd van puberteit heeft bereikt en die kan spreken, moet hardop zeggen: “Op de aarde of in de hemel is er niemand behalve Allāh Ta’ālā die het waard is om aanbeden te worden. Het werkelijke wezen dat aanbeden moet worden is Allāh Ta’ālā alleen. Hij is de Wājib al‑wujūd. Elke soort superioriteit bestaat in Hem. Geen enkel gebrek bestaat in Hem. Zijn naam is Allah,” en dit absoluut met heel zijn hart geloven.
En ook moet men zeggen en geloven: “De verheven persoon die een rozenrode huid had, een wit‑roodachtige, heldere en mooie gezicht, zwarte ogen en wenkbrauwen; die een gezegend breed voorhoofd had, met een goed karakter; die geen schaduw op de grond wierp, zacht sprak en Arab werd genoemd omdat hij in Mekka geboren was uit Hasjemitische afkomst, genaamd Muhammad ibn ’Abdullāh, is Allāh ta’âlâ’s menselijke dienaar (’abd) en boodschapper (Rasūl).”
De moeder van de Profeet was Ḥazrat Āmina bint Wahhāb. Hij werd geboren in Mekka [bij het aanbreken van maandag, 20 april 571]. Toen hij veertig was, in het jaar dat ‘Bi’that’ wordt genoemd, werd hem meegedeeld dat hij de Profeet was. Na dit nodigde hij mensen dertien jaar lang uit tot Islam in Mekka. Daarna emigreerde hij naar Medina op bevel van Allāh Ta’ālā. Daar verspreidde hij Islam overal. Tien jaar later overleed hij in Medina op maandag 12 Rabīʿ’ al‑Awwal (juli 632).
- Het tweede fundament van Islam is “het verrichten van het rituele gebed (namāz, ṣalāt) [vijf keer per dag in overeenstemming met zijn voorwaarden en farḍ] wanneer de tijd voor het gebed komt.” Het is farḍ voor elke moslim om ṣalāt vijf keer per dag te verrichten nadat de tijd van elke ṣalāt is begonnen, en te weten dat hij of zij het in de juiste tijd verricht. Het verrichten vóór zijn tijd door zich aan te passen aan verkeerde kalenders die zijn opgesteld door onwetenden of niet‑madhhabī is een grote zonde, en zo’n ṣalāt is niet ṣaḥīḥ. Zulke kalenders veroorzaken ook dat men de eerste soenna ṣalāt van het vroege middaggebed en de farḍ ṣalāt van het avondgebed in een makrūh tijd verricht.
Het rituele gebed moet worden verricht met aandacht voor zijn farḍ, wājib en sunnah, met het hart onderworpen aan Allāh Ta’ālā, en vóórdat de tijd voorbij is. In de Qur’ān al‑Karīm wordt het rituele gebed ‘ṣalāt’ genoemd. Ṣalāt betekent het bidden van de mens, het doen van istighfār door de engel, en het hebben van compassie en barmhartigheid door Allāh Ta’ālā. In Islam betekent ṣalāt: bepaalde handelingen verrichten, bepaalde dingen reciteren zoals getoond in ’ilm al‑hāl‑boeken. Ṣalāt wordt begonnen met de woorden ‘Allāh akbar’, genoemd de ‘takbīr al‑iftitâh’, en uitgesproken nadat de handen tot de oren zijn opgeheven tot het neerleggen van de handen onder de navel (voor mannen). Het eindigt met de salām door het hoofd naar de rechter‑ en linker schouder te draaien aan het einde van de laatste zitpositie.
- Het derde fundament van Islam is “het geven van de zakāt van iemands bezit.” De letterlijke betekenis van zakāt is ‘reinheid, prijzen, en goed en mooi worden.’ In Islam betekent zakāt: ‘dat een persoon die zakāt‑bezit heeft dat meer is dan hij nodig heeft en tot een bepaalde hoeveelheid die niṣāb wordt genoemd, een bepaalde hoeveelheid van zijn bezit afzondert en dit geeft aan moslims die in de Qur’ān al‑Karīm genoemd worden, zonder hen te verwijten.’ Zakāt wordt gegeven aan zeven soorten mensen. Er zijn vier soorten zakāt in alle vier madhhab: de zakāt over goud en zilver, de zakāt over handelsgoederen, de zakāt over de vee voorraad [schapen, geiten en runderen] die meer dan een half jaar in de velden graast, en de zakāt over alle soorten noodzakelijke stoffen die uit de aarde voortkomen. Deze vierde soort zakāt, ’ushr genoemd, wordt gegeven zodra de oogst is binnengehaald. De andere drie worden gegeven één jaar nadat zij de hoeveelheid van niṣāb hebben bereikt.
- Het vierde fundament van Islam is “elke dag van de maand Ramaḍān vasten.” Vasten wordt ‘ṣawm’ genoemd. Ṣawm betekent iets beschermen tegen iets anders. In Islam betekent ṣawm: zichzelf beschermen tegen drie dingen [gedurende de dagen] van de maand Ramaḍān, zoals zij bevolen zijn door Allāh Ta’ālā: eten, drinken en seksuele omgang. De maand Ramaḍān begint bij het zien van de nieuwe maan aan de hemel. Hij mag niet beginnen op het tijdstip dat in kalenders wordt berekend.
- Het vijfde fundament van Islam is “dat de persoon die daartoe in staat is, eenmaal in zijn leven de ḥajj (pelgrimstocht) verricht.” Voor een persoon die daartoe in staat is en genoeg geld heeft om naar en terug te reizen van de stad Mekka, naast het bezit dat voldoende is voor het levensonderhoud van zijn familie die hij achterlaat totdat hij terugkomt, is het farḍ om ṭawāf rond de Ka’aba te verrichten en waqfa te verrichten op de vlakte van ’Arafat, op voorwaarde dat de weg veilig zal zijn en het lichaam gezond, eenmaal in zijn leven.
“De persoon, nadat hij deze antwoorden van profeet Mohammed ﷺ had gehoord, zei: ‘O RasūlAllāh! U hebt de waarheid gesproken.’” Ḥazrat ’Umar (raḍiyAllāh ’anh) zei dat van de metgezellen van de Profeet degenen die daar waren verbaasd waren over het gedrag van deze persoon die een vraag stelde en bevestigde dat het antwoord juist was. Men vraagt met de bedoeling te leren wat men niet weet, maar zeggen: “U hebt de waarheid gesproken,” geeft aan dat men het al weet.
Het hoogste van de vijf fundamenten die hierboven zijn opgesomd is het uitspreken van de Kalimat ash-shahāda en in de betekenis ervan geloven. Het daaropvolgende hoogste is het verrichten van ṣalāt. Daarna komt het vasten. Daarna komt de pelgrimstocht. De laatste is het geven van zakāt. Het is unaniem zeker dat de kalimat ash-shahāda het hoogste is. Over de volgorde van de andere vier zeiden de meeste ’ulamā’ hetzelfde als wat wij hierboven zeiden.
Kalimat ash-shahāda werd als farḍ verplicht in het begin van Islam. Ṣalāt vijf keer per dag werd farḍ op de Miʿrāj‑nacht in het twaalfde jaar van Bi’that, een jaar en enkele maanden vóór de Hegira. Het vasten tijdens Ramaḍān werd farḍ in de maand Shaʿbān, het tweede jaar van de Hegira. Het geven van zakāt werd farḍ in de maand Ramaḍān, in hetzelfde jaar waarin het vasten farḍ werd. En de pelgrimstocht werd farḍ in het negende jaar van de Hegira.