We zouden moeten mediteren en beseffen dat Allāh Ta’ālā als Enige iedere gunst aan iedereen schenkt. Hij alleen schept alles. Hij alleen is Degene die ieder wezen in bestaan houdt. Verheven en goede eigenschappen van mensen zijn allemaal Zijn zegeningen en gunsten. Ons leven, ons verstand, onze kennis, onze kracht, ons gehoor en onze spraak komen allemaal van Hem. Hij is altijd Degene die ontelbare zegeningen en gunsten stuurt. Hij is Degene die mensen redt uit moeilijkheden en benauwdheid, die smeekbeden verhoort en verdriet en rampen weghoudt. Alleen Hij schept de levensvoorzieningen en laat ze ons bereiken.

Zijn gunst is zo overvloedig dat Hij de levensvoorziening niet afsnijdt van degenen die zonden begaan. Zijn bedekking van zonden is zo groot dat Hij degenen die Zijn bevelen niet opvolgen of Zijn verboden niet mijden, niet te schande maakt, niet blootstelt en niet hun eer aantast. Hij is zo vergevingsgezind, zo barmhartig, dat Hij niet haast met het straffen van degenen die straf en kwelling (’ʿadhāb) verdienen. Hij verspreidt Zijn zegeningen en gunsten zowel over degenen van wie Hij houdt als over Zijn vijanden. Hij onthoudt niemand iets.

En als de hoogste, meest waardevolle van Zijn gunsten wijst Hij ons de rechte weg naar geluk en verlossing. Hij waarschuwt ons om niet af te dwalen, zodat wij naar het Paradijs gaan. En Hij beveelt ons om ons aan te passen aan Zijn geliefde Profeet Mohammed ﷺ, opdat wij alle oneindige zegeningen, eindeloze en onuitputtelijke genoegens in het Paradijs, en Zijn eigen tevredenheid en liefde verkrijgen.

Zo zijn de zegeningen van Allāh Ta’ālā zo duidelijk als de zon. De gunsten die van anderen komen, komen in werkelijkheid van Hem. Hij is opnieuw Degene die anderen tot middel maakt en hen wens, kracht en vermogen geeft om gunsten te verrichten.

De dankbaarheid die betoond moet worden en de menselijke plichten die met hart, tong en lichaam voor Allāh Ta’ālā verricht moeten worden, zijn door Allāh Ta’ālā zelf bepaald en door Zijn geliefde Profeet Mohammed ﷺ bekendgemaakt. De menselijke plichten die Allāh Ta’ālā heeft getoond en bevolen, worden Islam genoemd. Men dankt Hem door de weg te volgen die Zijn Profeet Mohammed ﷺ heeft onderwezen. Allāh Ta’ālā accepteert of houdt niet van enige dankbetuiging of aanbidding die hiermee in strijd is of daarbuiten valt, omdat er veel zaken zijn die mensen mooi vinden maar die door de Islam worden afgekeurd en als kwaad worden beschouwd.

De persoon die de profeet Mohammed ﷺ volgt, wordt een moslim genoemd. Het danken van Allāh Ta’ālā, dat wil zeggen het volgen van profeet Mohammed ﷺ, wordt ’Ibādah (aanbidding) genoemd. De leringen van de Islam bestaan uit twee delen: religieus en wetenschappelijk. Het religieuze deel heeft twee takken:

  1. Leringen die met het hart geloofd moeten worden en die de leringen van uṣool ad-Dīn of īmān worden genoemd;
  2. Leringen van ’Ibādat die met het lichaam of het hart verricht moeten worden en die de leringen van furû’ ad-Dīn, aḥkām al-Islāmiyyah of de Sharīʿah worden genoemd.