In dit boek, I’tiqād Nama, hebben de ’ulamā’ van Islam gezegd dat elke verstandige man of vrouw die de puberteit heeft bereikt, correct moet weten en geloven in de as‑Ṣifāt adh‑Dhītiyya en as‑Ṣifāt ath‑Thubutiyya van Allāh Ta’ālā. Dit is voor iedereen de eerste en belangrijkste verplichting (farḍ). Niet weten is geen excuus maar een zonde.

Khalīd ibn Ahmad al‑Baghdādī schreef dit boek niet om zichzelf boven anderen te verheffen of om beroemd te worden, maar om een herinnering en dienst achter te laten. Moge Allāh Ta’ālā de nederige Khalīd helpen met Zijn Macht en door de gezegende ziel van Zijn Profeet! Āmīn.

Met de hulp en kracht die Allāh Ta’ālā geeft — Degene die alle werelden in bestaan houdt, alle gunsten en gaven schenkt en nooit slaapt — beginnen wij nu de gezegende uitspraak van onze Profeet Mohammed ﷺ uit te leggen. (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek Īmān, Hadith 8).

Onze geliefde meerdere, Ḥazrat ’Umar ibn al‑Khaṭṭāb (raḍiyAllāh Ta’ālā ’anh), een dappere leider van de moslims, één van de hoogste metgezellen van de Profeet, beroemd om zijn waarachtigheid, zei:

“Het was zo’n dag dat een paar van ons, de metgezellen, in de aanwezigheid en dienst van Rasūlullāh ﷺ waren.” (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek Īmān, Hadith 8)

Die dag, dat uur, was zo gezegend en zo kostbaar dat men nauwelijks de kans zou krijgen het opnieuw mee te maken. Op die dag viel het hem ten deel om vereerd te worden met het gezelschap van de Profeet, dicht bij hem te zijn, en zijn mooie gezicht te zien — een gezicht dat voedsel was voor de geesten en rust en vreugde voor de zielen.

Om de waarde en eer van die dag te benadrukken, zei hij: “Het was zo’n dag…”

Kon er een tijd zijn die zo eerbaar en kostbaar was als het moment waarop het hem werd toegestaan Jibrīl (Jibrīl, de aartsengel Gabriel, ’alaihi ’s‑salām) te zien in de gedaante van een mens, zijn stem te horen, en de kennis die de mensen nodig hadden zo mooi en duidelijk te horen uit de gezegende mond van Rasūlullāh ﷺ? (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek Īmān, Hadith 8)