1 Inleiding

De student leert in deze les dat de rituelen bij overlijden in de Sharīʿah helder en gestructureerd zijn: de janāzah bestaat uit ghusl, kafan, het begrafenisgebed en de dafn. Hij leert hoe de overledene volgens de Ḥanafī‑fiqh wordt gewassen, hoe het doodskleed wordt aangebracht en dat het Janāzah‑gebed zonder rukūʿ en sujūd wordt verricht. De student ziet hoe de Qurʾān het overlijden duidt, dat gelovigen bij het bericht van de dood innā lillāhi wa innā ilayhi rājiʿūn uitspreken, en dat de weduwe of weduwnaar een aanvullende duʿāʾ reciteert. Hij leert dat huilen uit genade toegestaan is, maar dat luidkeels wenen verboden is, en dat de Profeet ﷺ zelf tranen vergoot bij het overlijden van zijn zoon Ibrāhīm. Zo krijgt de student een compleet inzicht in de spirituele, emotionele en praktische rituelen die de Sharīʿah voorschrijft bij het overlijden van een moslim.

2 Rites bij overlijden in de Sharīʿah

Janāzah is de islamitische uitvaart volgens de regels van de Sharīʿah. Binnen de Ḥanafī‑fiqh bestaat de janāzah uit drie hoofdonderdelen: ghusl, kafan en ṣalāt al‑janāzah, gevolgd door de dafn.

Ghusl al‑Mayyit houdt in dat de overledene ritueel wordt gewassen. Dit gebeurt minimaal één keer en maximaal drie keer. Mannen wassen mannen en vrouwen wassen vrouwen; een maḥram‑relatie is toegestaan. Kafan betreft het omhullen van de overledene in het doodskleed: drie doeken voor mannen en vijf doeken voor vrouwen, bij voorkeur wit katoen. Ṣalāt al‑Janāzah is een gebed zonder rukūʿ en sujūd.

Allāh Ta’ālā openbaart:

ٱلَّذِينَ إِذَآ أَصَابَتْهُم مُّصِيبَةٌ قَالُواْ إِنَّا للَّهِ وَإِنَّـآ إِلَيْهِ رَاجِعُونَ

“Zij die, wanneer een rampspoed hen achterhaalt, zeggen: ‘Voorzeker, wij zijn van Allāh en tot Hem zullen wij weerkeren’.” Surah al-Baqarāh (de koe), H2, vers 156

Over de dood treffen wij 62 openbaringen aan in de Heilige Qur’ān en over de ziel wordt 125 keer een openbaring aangetroffen in de Heilige Qur’ān. Wanneer ons het bericht over de dood van een gelovige moslim bereikt, is het eerste wat de familie en vrienden doen het opzeggen van een deel van de Qur’ān, vers 156: “…innā lillāhi wa innā ilayhi rājiʿūn.” Deze du’ā (smeekbede) is in het Arabisch bekend als al-istinjāʾ.

In geval de dood een echtgenoot of echtgenote betreft, voegt de weduwnaar of eduwe aan het bovenstaande vers toe:

اللَّهُمَّ أَجِرْنِي فِي مُصِيبَتِي وَاخْلُفْ لِي خَيْرًا مِنْهَا

“Allāhumma ajirnī fī muṣībatī wakh-luf lī khayran minhā (of minhu als de weduwe het opzegt).” Vertaling: “O Allāh, verleen mij steun in mijn nood en vervang haar (hem) met iemand anders.”

3 Huilen om genade op het moment van de dood

De Heilige Profeet Mohammed ﷺ vergoot tranen, maar barstte niet luidkeels in huilen uit.

Wij gingen met de Heilige Profeet Mohammed ﷺ naar de hoefsmid Abu Saif, die de man was van de pleegzuster van Ḥazrat Ibrāhīm (zoon van de Profeet). Allāh’s Boodschapper nam Ibrāhīm in zijn armen, kuste en geurde hem, waarna wij na enige tijd het huis van Abu Saif binnentraden. Op dat moment was Ibrāhīm bezig met zijn laatste ademhalingen. De ogen van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ begonnen te tranen. Ḥazrat ʿAbdur Raḥmān bin Auf (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei: “O Allāh’s Boodschapper, zelfs u bent aan het wenen!” Hij antwoordde: “O Ibn Auf, dit is genade.” Toen weende hij meer en zei: “De ogen vergieten tranen en het hart is gegriefd, en wij zullen niets zeggen behalve wat Allāh behaagt. O Ibrāhīm! In werkelijkheid zijn wij gegriefd door uw afzondering.” Ṣaī al‑Bukhārī, Boek 23, adīth 61 (nr. 1303); Ṣaī Muslim, Boek 43, adīth 83 (nr. 2315)