1 De theorieën van de rechtsgeleerden over ikhtilāf

De rechtsgeleerden ontwikkelden verschillende theorieën over ikhtilāf om met meningsverschillen om te gaan. Daarbij hadden zij ten minste twee doelen: enerzijds het rechtvaardigen van ikhtilāf en anderzijds het met elkaar verzoenen van uiteenlopende opvattingen.

Hieronder bespreek ik enkele van deze theorieën om hun betekenis en relevantie voor de hedendaagse juridische redenering te illustreren.

Deel A Verschillen in interpretatie

In een speciaal aan ikhtilāf gewijd hoofdstuk van zijn werk al-Risala9 ontwikkelde imam Shāfiʿī een theorie over juridische meningsverschillen. Hij legde uit dat deze onder andere voortkwamen uit verschillende interpretaties van de teksten van de Qur’ān en de Hadith. Hij ontwikkelde een onderscheid tussen twee soorten meningsverschillen: een vorm die verboden is en een vorm die niet verboden is.

Verboden ikhtilāf betreft een opvatting die in strijd is met een duidelijke tekst uit de Qur’ān of de Sunnah. Wanneer een tekst echter niet expliciet of ondubbelzinnig is, kan deze op meer dan één manier worden geïnterpreteerd. Volgens Shāfiʿī zijn verschillen die voortkomen uit een dergelijke interpretatie niet verboden, hoewel zij evenmin volledig vrij zijn van beperkingen. Shāfiʿī licht de toegestane vormen van ikhtilāf aan de hand van verschillende voorbeelden toe.

1 Het voorbeeld van quru’

Dit korte artikel biedt onvoldoende ruimte om deze voorbeelden uitgebreid te analyseren. Ik wil hier daarom slechts benadrukken dat Shāfiʿī dit type meningsverschil voornamelijk verklaart vanuit verschillen in taalgebruik.

Zo schrijft de Qur’ān voor dat een gescheiden vrouw na de scheiding drie perioden van quru’ moet afwachten voordat zij opnieuw een huwelijk kan aangaan: ‘Gescheiden vrouwen zullen voor zichzelf drie menstruatieperioden afwachten’ (Al-Baqarāh 2:228).

De rechtsgeleerden verschillen van mening over de betekenis van het woord quru’ en daarmee over de wijze waarop deze periode moet worden berekend.

Volgens Shāfiʿī begrepen sommige metgezellen quru’ als de periode van menstruatie, terwijl anderen het opvatten als de periode van reinheid tussen twee menstruaties.

Hazrat ‘Aisha (raḍiyAllāhu ʿanha) , de echtgenote van de Profeet Mohammed ﷺ, legde quru’ uit als de periode van reinheid. Shāfiʿī volgt hierin Hazrat ‘Aisha (raḍiyAllāhu ʿanha) en haalt ter ondersteuning ook een uitspraak van de Profeet Mohammed ﷺ aan. De Malikitische en Sjiitische rechtsgeleerden nemen eveneens dit standpunt in.

De Hanafieten en Hanbalieten verstaan quru’ daarentegen als menstruatie. Zij laten de berekening beginnen bij het intreden van de menstruatie, omdat dit een duidelijk herkenbaar moment is van waaruit de termijn gemakkelijk kan worden berekend. Later zal ik betogen dat dit meningsverschil ook kan worden verklaard als een verschil in sociale normen.

2 Verschillen in de interpretatie van de Qur’ān

In de literatuur over ikhtilāf vinden we nog veel meer voorbeelden van verschillen tussen rechtsgeleerden in hun interpretatie van de Qur’ān en de Sunnah. De Qur’ān (Al ‘Imrān 3:7) verklaart dat sommige verzen duidelijk (muhkam) zijn en andere dubbelzinnig of meerduidig (mutashabih). Het meningsverschil betreft onder meer de vraag hoe men duidelijke en meerduidige verzen van elkaar kan onderscheiden. Er bestaat ook ikhtilāf over de manier waarop de Qur’ānische tekst moet worden begrepen. Moeten we de Qur’ān letterlijk interpreteren? En wat betekent een letterlijke interpretatie precies?

Wanneer we woorden, uitdrukkingen en begrippen proberen te begrijpen, moeten we dan teruggrijpen op de pre-islamitische Arabische poëzie of op woordenboeken die na de openbaring van de Qur’ān zijn samengesteld? Moeten we ieder vers afzonderlijk lezen, of moeten we de betekenis ervan bestuderen binnen de Qur’ān als geheel?

Moeten we de verzen proberen te begrijpen aan de hand van de omstandigheden waarin zij zijn geopenbaard en deze historisch contextualiseren? En in hoeverre moeten we rekening houden met de historische context of de aanleiding van de openbaring door de woorden met het betreffende verhaal te verbinden?

Dit zijn allemaal verschillende interpretatiemethoden die binnen de islamitische traditie zijn toegepast.

3 Verschillen in de interpretatie van de Hadith

Ook over de interpretatie van Hadith-teksten bestaan verschillende opvattingen.

Het woord mukhtalaf (‘waarover men van mening verschilt’ of ‘betwist’) verscheen als technische term zelfs al in de tiende eeuw binnen de wetenschap van de Ḥadith. Deze verschillen hadden betrekking op taalgebruik, betekenis en onderlinge tegenstrijdigheden. Hadithgeleerden maakten onderscheid tussen twee vormen van verschil. De eerste werd mukhtalaf genoemd: verschillen die konden worden verklaard of met elkaar konden worden verzoend. De tweede werd mukhtalif genoemd: gevallen waarin het moeilijk was om tegenstrijdige overleveringen met elkaar te verzoenen en waarin beide betekenissen moesten worden toegestaan en verklaard. Ook de rechtsgeleerden maakten onderscheid tussen Hadith en Sunnah: de eerste heeft betrekking op woorden en teksten, terwijl de tweede betrekking heeft op handelingen en praktijken. Hebben de uitspraken van de Profeet Mohammed ﷺ en zijn handelingen dezelfde juridische betekenis? En als er een verschil bestaat tussen een overgeleverde uitspraak van de Profeet en zijn feitelijke praktijk, welke van beide moet dan voorrang krijgen?

4 Verschillende criteria voor de authenticiteit van Hadith

Nog belangrijker waren de meningsverschillen over de criteria waarmee een authentieke Hadith wordt vastgesteld. De hadithgeleerden ontwikkelden ingewikkelde methoden om overleveringen te controleren. Daarbij keken zij onder andere naar de betrouwbaarheid van de overleveraars, de keten van overleveraars die met de Profeet Mohammed ﷺ verbonden was en de kwaliteit van de tekst zelf. Op basis daarvan werden de Hadith-overleveringen in verschillende categorieën ingedeeld. Deze studies resulteerden uiteindelijk in verzamelingen van als betrouwbaar beschouwde Hadith. Deze verzamelingen bevatten een aantal gemeenschappelijke overleveringen, maar verschilden onderling zowel wat betreft de tekst als de keten van overleveraars.

Ook verschilden zij in het aantal Hadith dat zij bevatten en in de manier waarop deze werden gecategoriseerd.

Juist vanwege deze verschillen werden er ook na het ontstaan van de zes als betrouwbaar beschouwde verzamelingen nog verschillende andere Hadith-verzamelingen samengesteld.

Meer recent stelde Nasir al-Dīn Albani een nieuwe verzameling Hadith samen, waarin hij niet alleen afwijkt van de zes klassieke verzamelingen wat betreft de teksten van bepaalde Hadith, maar ook de criteria ter discussie stelt die door de eerdere samenstellers werden gebruikt.

5 Verschillen tussen rechtsgeleerden en hadithgeleerden

Het is eveneens belangrijk dat rechtsgeleerden en hadithgeleerden niet alleen van mening verschilden over de criteria voor betrouwbare Hadith, maar dat er ook binnen deze groepen onderling verschillen bestonden. Een belangrijk debat tussen rechtsgeleerden en hadithgeleerden ging over overleveringen waarvan de keten van overleveraars eindigt bij een metgezel van de Profeet Mohammed ﷺ. Dergelijke overleveringen worden mursal genoemd. De meeste hadithgeleerden beschouwen deze Hadith-overleveringen niet als betrouwbaar.

Dit debat hing nauw samen met de vraag welke bronnen als basis voor fiqh konden dienen. De hadithgeleerden benadrukten dat Hadith-overleveringen, naast de Qur’ān, een primaire bron van het islamitische recht waren. Zij konden daarbij zelfs voorrang geven aan een Hadith boven een Qur’ānvers, omdat zij de functie van de Hadith zagen als het verklaren van de betekenis van het vers.

Onder de rechtsgeleerden namen imam Shāfiʿī en Ibn Hanbal dit standpunt in. Andere rechtsgeleerden waren echter van mening dat een Hadith-overlevering niet kon worden aanvaard wanneer deze in strijd was met de expliciete betekenis van een Qur’ānvers.

Imam Malik beschouwde de praktijk en consensus van Medina als de meest betrouwbare bron. De rechtsgeleerden, en met name de Hanafieten, gaven bovendien de voorkeur aan een Hadith die door een rechtsgeleerde was overgeleverd. Hun redenering was dat een overleveraar die niet vertrouwd was met de nuances van de rechtswetenschap de juridische betekenis van een tekst mogelijk niet correct zou begrijpen.

Deel B Theorieën over abrogatie (naskh)

Soms leidden verschillende verwijzingen van rechtsgeleerden naar Qur’anverzen tot tegenstrijdige opvattingen. Wanneer een dergelijke tegenstrijdigheid niet kon worden opgelost, beriepen de rechtsgeleerden zich op de doctrine van abrogatie (naskh). Zij stelden dat Qur’anverzen elkaar niet kunnen tegenspreken en dat daarom een van de tegenstrijdig lijkende verzen door een later vers moet zijn opgeheven. De rechtsgeleerden verschilden echter opnieuw van mening over de criteria waarmee men kon bepalen of een vers was geabrogeerd. Een methode was gebaseerd op de chronologische volgorde van de openbaringen: verzen die later waren geopenbaard, zouden eerdere verzen hebben opgeheven. Zoals bekend werd de Heilige Qur’ān gedurende een periode van drieëntwintig jaar geleidelijk geopenbaard. Sommige openbaringen vonden plaats in Mekka en andere in Medina. De huidige verzameling van de Qur’ān is echter niet chronologisch gerangschikt. Daardoor is het moeilijk om voor ieder afzonderlijk vers vast te stellen wanneer het precies is geopenbaard. Er bestaan aanwijzingen over welke surah’s in Mekka en welke in Medina zijn geopenbaard, hoewel de meeste soera’s zowel verzen uit de Mekkaanse als uit de Medinese periode bevatten.

Sommige geleerden hebben geprobeerd de Qur’ān opnieuw in chronologische volgorde te rangschikken, maar dergelijke pogingen zijn niet succesvol gebleken.

Soms verwijst de term abrogatie naar een verandering in de omstandigheden (sabab of sha’n al-nuzul) waarin een vers werd geopenbaard. Een vers wordt dan als niet langer van toepassing en daarmee als geabrogeerd beschouwd wanneer de omstandigheden zijn veranderd. In andere gevallen wordt de term abrogatie eenvoudigweg gebruikt in de betekenis van verduidelijking. Wanneer een vers bijvoorbeeld de toepassing van een ander vers nader specificeert, aanvult of beperkt, wordt het laatste vers beschouwd als zijnde ‘geabrogeerd’ door het eerste. De doctrine van naskh heeft in de eerste plaats betrekking op Qur’anverzen, maar werd later ook uitgebreid tot de Hadith.

Deel C Theorieën over rechtsbronnen

In de vormingsperiode van de islamitische rechtswetenschap gebruikten de rechtsgeleerden naast de Qur’ān en de Sunnah verschillende andere rechtsbronnen.

Imam Shāfiʿī stelde voor om meningsverschillen te verminderen door de rechtsbronnen te beperken tot vier: de Qur’ān, de profetische Sunnah, analogische redenering op basis van deze bronnen (qiyas) en consensus (ijma‘). Hij beschouwde ikhtilāf en ijma‘ als elkaars tegengestelde: consensus betekent immers de afwezigheid van verschil van mening.

De theorie van Shāfiʿī over de vier rechtsbronnen werd door zijn rechtsschool breed verspreid. Andere rechtsscholen bleven echter ook het belang van aanvullende bronnen benadrukken.

Shihab al-Dīn al-Qarafi (overleden 1285) somde negentien rechtsbronnen op die door rechtsgeleerden werden gebruikt. Tot de Sunnah rekende hij ook de uitspraken van de metgezellen. Aan ijma‘ voegde hij onder meer de consensus van de inwoners van Medina en Kufa toe, evenals de consensus van de vier kaliefen en de familie van de Profeet. Zijn lijst van rechtsbronnen omvatte ook lokale gebruiken en verschillende interpretatieve beginselen, waaronder:

  • al-maṣlaḥa al-mursala: het algemeen belang dat in de primaire bronnen noch uitdrukkelijk wordt bevestigd, noch verboden;
  • istishab: het uitgangspunt dat een bestaande situatie of eerdere rechtsregel wordt voortgezet totdat er bewijs is voor verandering;
  • al-bara’a al-asliyya: het beginsel dat zaken van oorsprong toegestaan zijn totdat er bewijs bestaat dat ze verboden zijn;
  • al-istiqra’: inductief redeneren;
  • sadd al-dhara’i‘: het voorkomen van middelen die tot een verboden resultaat kunnen leiden;
  • istidlal: het uitbreiden van de toepassing van een rechtsregel door middel van menselijke redenering;
  • istihsan: juridisch voorkeursoordeel;
  • al-akhdh bi’l-akhaff: kiezen voor de minst belastende of lichtste optie;
  • al-‘isma: onfeilbaarheid van het oordeel.

Andere rechtsgeleerden voegden ook de wetten toe die vóór de islam aan eerdere gemeenschappen waren geopenbaard. Al-Shatibi en enkele andere rechtsgeleerden introduceerden in de veertiende eeuw bovendien het begrip maqāṣid al-Sharīʿah, de doelstellingen van de Sharīʿah. Dit begrip is onder moderne islamitische rechtsgeleerden bijzonder populair geworden.

Verschillen over de geldigheid van rechtsbronnen

Het is niet nodig om hier op al deze bronnen in detail in te gaan. Het volstaat te zeggen dat de rechtsgeleerden van mening verschillen over de geldigheid van de hierboven genoemde bronnen. Sommigen beschouwen deze als aanvullende bronnen naast de vier primaire bronnen.

Het belangrijkste punt is dat rechtsgeleerden door de eeuwen heen voortdurend hebben gedebatteerd over zowel het aantal rechtsbronnen als de geldigheid ervan.

Deel D Theorieën van taqlid en madhhab

Ik heb de doctrines van taqlid en madhhab al eerder genoemd. Deze doctrines ontstonden eveneens als manieren om ikhtilāf te reguleren. In de praktijk zorgden de rechtsscholen er echter ook voor dat ikhtilāf verder werd geïnstitutionaliseerd.

Meningsverschillen tussen rechtsgeleerden bleven namelijk ook binnen de afzonderlijke rechtsscholen bestaan, waardoor nieuwe methoden nodig waren om deze verschillen te ordenen en te reguleren.

1 De Hanafitische methode van hiërarchie

De Hanafieten ontwikkelden een systeem van hiërarchie (qism, tabaqat) van gezaghebbende personen en bronnen, waaronder rechtsgeleerden en hun geschriften.

Zo adviseerde Qadi Khan (overleden 907) dat een mufti, wanneer er een verschil van mening bestond tussen Abu Ḥanīfah, Abu Yusuf en Shaybani, de opvatting moest volgen waarin Abu Ḥanīfah en één van zijn leerlingen het met elkaar eens waren.

Wanneer er echter een verschil bestond tussen Abu Ḥanīfah en zijn leerlingen en de kwestie betrekking had op veranderingen die door tijd en plaats waren veroorzaakt, moest de mufti volgens hem de opvatting van de leerlingen volgen.

Binnen de Hanafitische rechtsscholen werd daarnaast een lijst opgesteld van gezaghebbende boeken. Deze werden aangeduid als duidelijke en gezaghebbende bronnen (zawahir), tegenover de minder gangbare, afzonderlijke opvattingen (nawadir) binnen de rechtsschool.

Een andere methode was tarjih al-rajih: het wegen en verkiezen van de sterkste juridische opvatting. Hiervoor werden gedetailleerde voorwaarden vastgesteld en alleen gekwalificeerde rechtsgeleerden mochten dit recht uitoefenen. Deze methode werd toegepast op meningsverschillen die binnen de rechtsschool zelf bestonden.

2 Wat moet een leek doen bij tegenstrijdige fatwa’s?

Handleidingen voor fatwa, die als richtlijnen voor mufti’s werden geschreven — deskundigen bij wie leken juridisch advies inwonnen — riepen een interessante vraag op met betrekking tot ikhtilāf. Wat moet een leek doen wanneer hij verschillende en tegenstrijdige fatwa’s van rechtsgeleerden tegenkomt? Deze handleidingen stellen dat een leek vrij is om een van de verschillende opvattingen te kiezen. Daarmee beschouwen deze werken verschil van mening als een positief onderdeel van de ontwikkeling van het recht.

Een dergelijke keuze kan echter alsnog leiden tot geschillen en conflicten. Stel bijvoorbeeld dat de ene mufti verklaart dat een bepaalde echtscheiding geldig is, terwijl een andere mufti oordeelt dat deze niet geldig is. De keuze voor een van deze opvattingen kan vervolgens leiden tot een conflict tussen man en vrouw.

Abu Bakr al-Jassas (overleden 980), een Hanafitische qadi, adviseerde in een dergelijke situatie dat de man en vrouw zich tot een qadi moesten wenden. Jassas probeerde ikhtilāf tussen de rechtsgeleerden dus niet te ontmoedigen. Zijn advies had uitsluitend betrekking op geschillen die als gevolg van deze verschillen onder leken konden ontstaan.

Deel E De theorie van mura‘at al-khilaf

Ook de Malikitische rechtsgeleerden probeerden ikhtilāf te reguleren zonder het belang ervan te verminderen. In de veertiende eeuw ontwikkelden Malikitische rechtsgeleerden in Andalusië de doctrine van mura‘at al-khilaf, oftewel het erkennen en meewegen van de meningsverschillen tussen rechtsgeleerden. Deze doctrine hield in dat men rekening moest houden met de verschillende juridische opvattingen van de rechtsgeleerden.

Aanvankelijk betekende deze doctrine dat men conflicten met eerdere, zelfs afwijkende opvattingen moest vermijden. In de praktijk ontwikkelde het begrip zich echter tot het uitgangspunt dat men de vrijheid had om een van de verschillende of tegenstrijdige juridische opvattingen te kiezen.