1 Uitdrukkingen
Om volledig te begrijpen wat relatieve voornaamwoorden zijn, moet men eerst geïnformeerd zijn over de صفة–موصوف‑uitdrukking, wat in de Arabische grammatica de naamwoord‑bijvoeglijke‑naamwoordgroep is: een uitdrukking van meestal twee أسماء waarin de tweede إسم de eerste beschrijft.
Bijvoorbeeld: رَجُلٌ كَرِيمٌ (een edele man), of الكَرِيمُ الرَّجُلُ (de edele man).
Tot de aspecten waarin de موصوف en de صفة moeten overeenkomen, behoort het zijn van مُعَرَّفَة of نَكِرَة (bepaald of onbepaald). In de meeste gevallen zijn beide woorden أسماء en is de overeenkomst eenvoudig: door ال aan beide woorden toe te voegen wordt het “de edele man”, terwijl het weglaten van ال bij beide woorden het “een edele man” laat.
Soms ontstaat echter de behoefte om een naamwoord te beschrijven met behulp van een hele zin. Neem bijvoorbeeld de uitdrukking: “een man die ik gisteren heb ontmoet”. De zin “ik ontmoette hem gisteren” is een volledige zin die wordt gebruikt om het onbepaalde naamwoord “een man” te beschrijven.
De geleerden van نحو hebben een waarde toegekend aan de informatieve zin (جملة خبرية) en hebben vastgesteld dat zij نَكِرَة is. Daarom, als het bovenstaande voorbeeld in het Arabisch zou worden weergegeven, zou het luiden:
رَجُلٌ لَقِيتُهُ أَمْسِ
Hier is geen extra woord nodig tussen het naamwoord dat beschreven wordt (de موصوف رَجُلٌ) en de zin لَقِيتُهُ أَمْسِ, omdat beide نَكِرَة zijn en de overeenkomst volledig is.
Er is geen extra woord nodig tussen het naamwoord dat beschreven wordt, dus de موصوف رَجُلٌ, en de zin لَقِيتُهُ أَمْسِ, omdat beide نَكِرَة zijn en de overeenkomst volledig is.
Aan de andere kant, wanneer de موصوف مُعَرَّفَة zou zijn, ontstaat er een probleem in de overeenkomst tussen de twee. Om de betekenis “de man die ik gisteren ontmoette” correct over te brengen, is het enkel toevoegen van ال aan de موصوف niet voldoende. We zouden dan een موصوف مُعَرَّفَة hebben (الرَّجُلُ) en een صفة die نَكِرَة is (namelijk de جملة خبرية). Deze twee kunnen niet zonder meer aan elkaar gekoppeld worden.
De enige manier om deze betekenis correct over te brengen, is door de waarde van de جملة خبرية — die van nature نَكِرَة is — om te zetten naar een مُعَرَّفَة‑waarde. En precies hier komt de مَوْصُول in het spel.
الأسماء الموصولة, of relatieve voornaamwoorden, zijn vergelijkbaar met “welke, wat, die, wie” in het Nederlands — niet de vraagwoorden “welke, wat”, maar de voornaamwoorden “welke/die” die tussen naamwoorden staan en de zinnen “die/dat” die hen beschrijven. Let goed op: “voornaamwoorden ‘welke/die’ komen tussen naamwoorden” en “de zinnen ‘die/dat’ beschrijven hen”.
In het Nederlands moeten deze voornaamwoorden in elke dergelijke structuur gebruikt worden. In het Arabisch worden zij alleen gebruikt wanneer de موصوف مُعَرَّفَة is. Als de موصوف نَكِرَة is, zoals in رَجُلٌ لَقِيتُهُ أَمْسِ, is er geen behoefte aan een مَوْصُول; de grammaticale structuur verbindt de zin vanzelf met het naamwoord dat beschreven wordt.
Dit is de primaire reden waarom we deze woorden in de taal hebben. Wanneer het naamwoord dat beschreven wordt een zeer algemene betekenis heeft, zoals “man, vrouw, ding” enzovoort, wordt het naamwoord vaak niet genoemd. De مَوْصُول zelf draagt dan de volledige betekenis, zoals in de zin:
جاءَ الَّذِي عَلَّمَكَ فِي المَسْجِدِ “De persoon die jou in de moskee onderwees, is gekomen.”
In deze zin betekent الَّذِي, de مَوْصُول, niet slechts “wie”, maar eigenlijk “de persoon die”. De zin die volgt op de مَوْصُول — de beschrijvende جملة خبرية — wordt صِلَة genoemd. Samen vormen de مَوْصُول en de صِلَة een صفة voor het voorafgaande naamwoord, of — wanneer het naamwoord een algemene aard heeft en impliciet is — worden de مَوْصُول en de صِلَة samen direct onderdeel van de grotere zin.
Binnen de صِلَة moet altijd een derde‑persoon voornaamwoord aanwezig zijn dat terugverwijst naar de مَوْصُول. Dit voornaamwoord zal altijd overeenkomen met de مَوْصُول in geslacht en getal. In het bovenstaande voorbeeld is het impliciete voornaamwoord هُوَ, verborgen in het werkwoord عَلَّمَ, dat terugverwijst naar الَّذِي, de مَوْصُول.
Overzichtelijke tabel van alle soorten مَوْصُول‑woorden
|
Categorie |
Woord |
Betekenis / Gebruik |
Voorbeeld |
Status |
|
1 |
الَّذِي |
Degene die (m. enk.) |
جاءَ الَّذِي فَعَلَ… |
مَبْنِي |
|
2 |
الَّتِي |
Degene die (v. enk.) |
جاءَتِ الَّتِي فَعَلَت… |
مَبْنِي |
|
3 |
اللَّذَانِ / اللَّتَانِ |
Degene die (m./v. dualis) |
جاءَ اللَّذَانِ… |
مُعْرَب |
|
4 |
الَّذِينَ |
Degene die (m. meervoud) |
جاءَ الَّذِينَ… |
مَبْنِي |
|
5 |
اللَّاتِي / اللَّوَاتِي |
Degene die (v. meervoud) |
جاءَتِ اللَّاتِي… |
مَبْنِي |
|
6 |
مَنْ |
Degene die (menselijk) |
جاءَ مَنْ فَعَلَ… |
مَبْنِي |
|
7 |
مَا |
Datgene wat (niet‑menselijk) |
جاءَ مَا فَعَلْتَ… |
مَبْنِي |
|
8 |
أَيّ / أَيَّة |
Welke / welke van |
أَيُّ الكُتُبِ قَرَأْتَ؟ |
مُعْرَب |
|
9 |
ال + اسم فاعل |
Degene die… |
الضَّارِب = الَّذِي يَضْرِبُ |
مَبْنِي |
|
10 |
ال + اسم مفعول |
Degene die… |
المَضْرُوب = الَّذِي ضُرِبَ |
مَبْنِي |
|
11 |
ذُو (dialect van طَيّ) |
Degene die… |
جاءني ذُو ضَرَبَكَ |
مَبْنِي |
Naast الَّذِي en zijn dualis‑, meervouds‑ en vrouwelijke varianten, zijn de volgende relatieve voornaamwoorden in gebruik:
- مَنْ — “de persoon die…”.
- مَا — “datgene wat…”. Beide hebben geen dualis of meervoud; hetzelfde woord wordt gebruikt voor alle geslachten en aantallen. مَنْ is voor menselijke wezens, مَا voor niet‑menselijke dingen.
- أَيّ en أَيَّة — “welke / welke van…”. Beide worden gevolgd door een مضاف إليه. Het tweede naamwoord in de possessieve uitdrukking is altijd موصولان. Het tweede woord kan enkelvoud of meervoud zijn, zoals: أَيُّ الكُتُبِ (welk boek / welke van de boeken). Beide betekenissen zijn vrijwel identiek. أَيّ en أَيَّة zijn مُعْرَب, en hun grammaticale toestand wordt bepaald door het regerende element vóór hen, net als bij normale أسماء.
- De ال die wordt gehecht aan de اسم فاعل en اسم مفعول wordt ook beschouwd als مَوْصُول, in de betekenis van الَّذِي. Zo betekent الضَّارِب letterlijk الَّذِي يَضْرِبُ (“degene die slaat”), en المَضْرُوب betekent الَّذِي ضُرِبَ (“degene die geslagen is”). Met andere woorden: de ال aan het begin betekent letterlijk “degene die…”.
- ذُو in het dialect van de stam طَيّ wordt eveneens gebruikt in de betekenis van الَّذِي, zoals in: جاءني ذُو ضَرَبَكَ — “De man die jou sloeg, kwam naar mij.”
Behalve أَيّ, أَيَّة en de dualis‑vormen van الَّذِي en الَّتِي, zijn alle مَوْصُول‑woorden مَبْنِي vanwege hun afhankelijkheid van de صِلَة. Een مَوْصُول verschijnt nooit zonder zijn صِلَة. Zoals herhaaldelijk vermeld, is afhankelijkheid een kenmerk van حروف, één van de drie categorieën van أصل مَبْنِي.
Tabel: De regels van de صِلَة (het deel dat de مَوْصُول beschrijft)
|
Regel |
Uitleg |
Voorbeeld |
Analyse |
|
1. De صِلَة moet altijd een volledige zin zijn |
De صِلَة kan een verbale zin (جملة فعلية) of een nominale zin (جملة اسمية) zijn, maar nooit een enkel woord. |
الَّذِي جَاءَ — “Degene die kwam” |
جاءَ is een volledige zin; daarom geldig als صِلَة. |
|
2. De صِلَة moet altijd نَكِرَة zijn |
De zin zelf heeft de grammaticale waarde van نَكِرَة, zelfs als de woorden erin مُعَرَّفَة zijn. |
الَّذِي عَلَّمَكَ فِي المَسْجِدِ |
De zin is informatief (خبرية) → automatisch نَكِرَة. |
|
3. De صِلَة moet een verborgen voornaamwoord bevatten dat terugverwijst naar de مَوْصُول |
Dit voornaamwoord is altijd derde persoon, en komt overeen met de مَوْصُول in geslacht en getal. |
الَّذِي عَلَّمَكَ → verborgen “هُوَ” |
“هُوَ” verwijst naar الَّذِي (m. enk.). |
|
4. De صِلَة mag geen expliciet voornaamwoord bevatten dat de مَوْصُول vervangt |
Het voornaamwoord dat terugverwijst is verborgen, nooit uitgesproken. |
(fout) الَّذِي عَلَّمَهُ |
“هُ” zou de مَوْصُول vervangen → fout. |
|
5. De صِلَة volgt direct op de مَوْصُول zonder tussenwoord |
Er mag niets tussen de مَوْصُول en de صِلَة staan. |
الَّذِي جَاءَ |
Altijd directe aansluiting. |
|
6. De صِلَة heeft geen إعراب‑positie in de zin |
De صِلَة is grammaticaal “vrijstaand”; alleen de مَوْصُول heeft een syntactische rol. |
جَاءَ الَّذِي عَلَّمَكَ |
De إعراب van الَّذِي is onderwerp; de صِلَة heeft geen إعراب. |
|
7. De صِلَة moet logisch passen bij de betekenis van de مَوْصُول |
De zin moet iets beschrijven dat bij het antecedent hoort. |
الَّذِي سَافَرَ — “Degene die reisde” |
De zin beschrijft een persoon → past bij الَّذِي. |
|
8. De صِلَة kan geen partikel zijn |
Een صِلَة moet een zin zijn, geen حرف. |
(fout) الَّذِي في |
حرف جر is geen zin → ongeldig. |
|
9. De صِلَة kan een nominale zin zijn, maar moet dan een verborgen voornaamwoord bevatten |
De nominale zin moet een مبتدأ en خبر hebben, waarbij één van beide het verborgen voornaamwoord draagt. |
الَّذِي هُوَ كَرِيمٌ |
“هُوَ” verwijst naar الَّذِي. |
|
10. De صِلَة mag geen مَوْصُول bevatten dat niet terugverwijst naar het antecedent |
Geen tweede, losse مَوْصُول binnen de صِلَة. |
(fout) الَّذِي جَاءَ الَّذِي… |
Dubbele structuur → fout. |
2 Extra verduidelijking
De صِلَة is altijd een beschrijvende zin die de betekenis van de مَوْصُول completeert. De مَوْصُول zelf is مُعَرَّفَة, maar de zin die hem beschrijft is altijd نَكِرَة, omdat informatieve zinnen (جمل خبرية) in de grammatica als نَكِرَة worden beschouwd.
Het verborgen voornaamwoord binnen de صِلَة is essentieel: zonder dit voornaamwoord zou de zin niet terugverwijzen naar de مَوْصُول, en zou de structuur grammaticaal instorten. Dit voornaamwoord is altijd derde persoon, en volgt de مَوْصُول in geslacht en getal:
- الَّذِي → verborgen “هُوَ”
- الَّتِي → verborgen “هِيَ”
- الَّذِينَ → verborgen “هُمْ”
- اللَّاتِي → verborgen “هُنَّ”
De صِلَة heeft geen إعراب‑positie in de zin; zij is grammaticaal “zwevend”. Alleen de مَوْصُول neemt een syntactische rol in (bijv. onderwerp, lijdend voorwerp, مجرور, enz.).
Tabel: Alle vormen van الأسماء الموصولة met hun verborgen voornaamwoorden
|
Vorm van de مَوْصُول |
Betekenis |
Geslacht |
Getal |
Verborgen voornaamwoord in de صِلَة |
Voorbeeld |
Analyse |
|
الَّذِي |
Degene die |
Mannelijk |
Enkelvoud |
هُوَ |
جاءَ الَّذِي دَرَّسَكَ |
“هُوَ” zit verborgen in دَرَّسَ |
|
الَّتِي |
Degene die |
Vrouwelijk |
Enkelvoud |
هِيَ |
جاءَتِ الَّتِي دَرَّسَتْكَ |
“هِيَ” zit verborgen in دَرَّسَتْ |
|
اللَّذَانِ |
Degene die |
Mannelijk |
Dualis |
هُمَا |
جاءَ اللَّذَانِ دَرَّسَاكَ |
“هُمَا” zit verborgen in دَرَّسَا |
|
اللَّتَانِ |
Degene die |
Vrouwelijk |
Dualis |
هُمَا |
جاءَتِ اللَّتَانِ دَرَّسَتَاكَ |
“هُمَا” zit verborgen in دَرَّسَتَا |
|
الَّذِينَ |
Degene die |
Mannelijk |
Meervoud |
هُمْ |
جاءَ الَّذِينَ دَرَّسُوكَ |
“هُمْ” zit verborgen in دَرَّسُوا |
|
اللَّاتِي / اللَّوَاتِي |
Degene die |
Vrouwelijk |
Meervoud |
هُنَّ |
جاءَتِ اللَّاتِي دَرَّسْنَكَ |
“هُنَّ” zit verborgen in دَرَّسْنَ |
|
مَنْ |
Degene die (menselijk) |
Onbepaald |
Onbepaald |
hij/zij volgens context |
جاءَ مَنْ دَرَّسَكَ |
Verborgen voornaamwoord volgt context |
|
مَا |
Datgene wat (niet‑menselijk) |
Onbepaald |
Onbepaald |
het volgens context |
جاءَ مَا فَعَلْتَ |
Verborgen voornaamwoord volgt context |
|
أَيّ / أَيَّة |
Welke / welke van |
M/V |
Enkelvoud |
Afhankelijk van het مضاف إليه |
أَيُّ رَجُلٍ جَاءَ؟ |
Verborgen voornaamwoord verwijst naar het مضاف إليه |
|
ال + اسم فاعل |
Degene die… |
M/V |
Afhankelijk van vorm |
Afhankelijk van vorm |
جاءَ الضَّارِبُ زَيْدًا |
الضَّارِب = الَّذِي يَضْرِبُ |
|
ال + اسم مفعول |
Degene die… |
M/V |
Afhankelijk van vorm |
Afhankelijk van vorm |
جاءَ المَضْرُوبُ |
المَضْرُوب = الَّذِي ضُرِبَ |
|
ذُو (dialect طَيّ) |
Degene die |
M/V |
Enkelvoud |
hij/zij volgens context |
جاءني ذُو ضَرَبَكَ |
Verborgen voornaamwoord volgt context |
Samenvatting
Elke مَوْصُول heeft een verborgen voornaamwoord in de صِلَة dat:
- altijd derde persoon is,
- altijd terugverwijst naar de مَوْصُول,
- altijd overeenkomt in geslacht en getal,
- nooit expliciet wordt uitgesproken.
Dit verborgen voornaamwoord is de kern van de structuur: zonder dit pronomen bestaat er geen geldige صِلَة.
Master‑tabel: alle zes groepen ضمائر naast elkaar (84 vormen in één overzicht)
|
Nr. |
مرفوع متّصل (nominatief, aangehecht) |
مرفوع منفصل (nominatief, los) |
منصوب متّصل (accusatief, aangehecht) |
منصوب منفصل (accusatief, los) |
مجرور بحرف جر (genitief, aangehecht aan voorzetsel) |
مجرور بمضاف (genitief, aangehecht als مضاف إليه) |
|
1 |
هُوَ (يَفْعَلُ) |
هُوَ |
ـهُ |
إِيَّاهُ |
لَهُ |
ـهُ |
|
2 |
هُمَا (يَفْعَلَانِ) |
هُمَا |
ـهُمَا |
إِيَّاهُمَا |
لَهُمَا |
ـهُمَا |
|
3 |
هُمْ (يَفْعَلُونَ) |
هُمْ |
ـهُمْ |
إِيَّاهُمْ |
لَهُمْ |
ـهُمْ |
|
4 |
هِيَ (تَفْعَلُ) |
هِيَ |
ـهَا |
إِيَّاهَا |
لَهَا |
ـهَا |
|
5 |
هُمَا (تَفْعَلَانِ) |
هُمَا |
ـهُمَا |
إِيَّاهُمَا |
لَهُمَا |
ـهُمَا |
|
6 |
هُنَّ (يَفْعَلْنَ) |
هُنَّ |
ـهُنَّ |
إِيَّاهُنَّ |
لَهُنَّ |
ـهُنَّ |
|
7 |
أَنْتَ (تَفْعَلُ) |
أَنْتَ |
ـكَ |
إِيَّاكَ |
لَكَ |
ـكَ |
|
8 |
أَنْتُمَا (تَفْعَلَانِ) |
أَنْتُمَا |
ـكُمَا |
إِيَّاكُمَا |
لَكُمَا |
ـكُمَا |
|
9 |
أَنْتُمْ (تَفْعَلُونَ) |
أَنْتُمْ |
ـكُمْ |
إِيَّاكُمْ |
لَكُمْ |
ـكُمْ |
|
10 |
أَنْتِ (تَفْعَلِينَ) |
أَنْتِ |
ـكِ |
إِيَّاكِ |
لَكِ |
ـكِ |
|
11 |
أَنْتُمَا (تَفْعَلَانِ) |
أَنْتُمَا |
ـكُمَا |
إِيَّاكُمَا |
لَكُمَا |
ـكُمَا |
|
12 |
أَنْتُنَّ (تَفْعَلْنَ) |
أَنْتُنَّ |
ـكُنَّ |
إِيَّاكُنَّ |
لَكُنَّ |
ـكُنَّ |
|
13 |
أَنَا (أَفْعَلُ) |
أَنَا |
ـنِي |
إِيَّايَ |
لِي |
ـي |
|
14 |
نَحْنُ (نَفْعَلُ) |
نَحْنُ |
ـنَا |
إِيَّانَا |
لَنَا |
ـنَا |
3 Didactische samenvatting
Deze tabel toont alle 84 persoonlijke voornaamwoorden in één overzicht, verdeeld over de zes officiële groepen:
- مرفوع متّصل – onderwerp, aangehecht
- مرفوع منفصل – onderwerp, los
- منصوب متّصل – lijdend voorwerp, aangehecht
- منصوب منفصل – lijdend voorwerp, los (zoals bij إِنَّ)
- مجرور بحرف جر – genitief na voorzetsel
- مجرور بمضاف – genitief als مضاف إليه
Elke rij (1 t/m 14) correspondeert met de 14 vervoegingen van het werkwoord, waardoor de structuur perfect aansluit op jouw eerdere hoofdstukken over ṣarf en نحو.
Alle 84 vormen zijn مَبْنِي, omdat zij afhankelijk zijn van een عامل — een kenmerk van حروف, één van de drie أصل مَبْنِي‑categorieën.