1 Inleiding

De student krijgt in deze les een overzicht van hoe het hindoeïsme wordt verklaard vanuit klassieke islamitische bronnen, waarbij afgoderij, profetenzending, het verhaal van Mūsā (ʿalayhis salām), het gouden kalf, bhakti‑tradities en begrafenispraktijken worden gebruikt om te tonen hoe vroegere openbaringen zouden zijn verwaterd. Daarnaast leert hij dat sommige hindoeteksten volgens deze notities verwijzingen bevatten naar de Profeet Mohammed ﷺ en dat Qur’ān‑verzen worden ingezet om shirk, imitatie van niet‑islamitische feestdagen en omgang met kāfir theologisch te duiden.

2 Het ontstaan van de sekte hindoeïsme

Gaan zij die in de bergen zijn opgegroeid en afgoden hebben aanbeden, eeuwig in de Hel blijven?

Allāh Ta’ālā openbaart:

 مَّا ٱلْمَسِيحُ ٱبْنُ مَرْيَمَ إِلاَّ رَسُولٌ قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِهِ ٱلرُّسُلُ وَأُمُّهُ صِدِّيقَةٌ كَانَا يَأْكُلاَنِ ٱلطَّعَامَ ٱنْظُرْ كَيْفَ نُبَيِّنُ لَهُمُ ٱلآيَاتِ ثُمَّ ٱنْظُرْ أَنَّىٰ يُؤْفَكُونَ

“Hierin zijn voorzeker tekenen voor hen die onderzoeken.” Surah al-Mā’idah (de tafel), hoofdstuk 5, vers 75.

Ḥazrat ʿĪsā (ʿalayhis salām) zei over bovenstaand vers: “Degenen die andere wezens aanbidden dan Allāh Ta’ālā, en degenen die de woorden van anderen boven Zijn Geboden plaatsen, kunnen het Paradijs niet binnengaan. De Hel is de plaats waar zij zullen eindigen.”

Alle sawqs (genegenheden) die voortkomen uit door de Sharīʿah verboden zaken zijn istidraj (geleidelijke vernietiging). Zulke sawqs komen namelijk ook voor bij ongelovigen, en ook zij leren zaken als tawīd (de Eenheid van Allāh Ta’ālā) en kashf (onthulling). Deze zaken verschijnen bij hen slechts als weerspiegelingen in de spiegel van het universum, zoals bij yogi’s, priesters van Brahma en hindoese bedelaars.

In India is geen profeet geweest die door meer dan drie mensen werd geloofd. Met andere woorden: er was geen profeet die een Ummah van vier mensen had. De geschriften over het bestaan en de Attributen van Allāh Ta’ālā die voorkomen in de boeken van sommige mensen die door hindoes worden aanbeden, zijn allemaal weerspiegelingen van de lichten van die profeten. Want in elke eeuw werd naar elke natie een profeet gestuurd die het bestaan en de eigenschappen van Allāh Ta’ālā verkondigde.

Zo stuurde Allāh Ta’ālā Ḥazrat Mūsā (ʿalayhis salām) om de joden naar het Rechte Pad te leiden.

Allāh Ta’ālā openbaart: “En indien jullie (Arabische heidenen, joden en christenen) in twijfel zijn omtrent hetgeen Wij aan Onze dienaar [Profeet Mohammed ﷺ] hebben geopenbaard, brengt dan een dergelijk hoofdstuk voort en roept jullie helpers buiten Allāh aan, als jullie waarachtig zijn.” Surah al-Baqarāh (de koe), hoofdstuk 2, vers 23.

3 Het verlangen van Ḥazrat Mūsā (ʿalayhis salām) om Allāh Ta’ālā te zien

Ḥazrat Mūsā (ʿalayhis salām) was een Profeet die intensief met Allāh Ta’ālā communiceerde en Hem graag wilde zien. Allāh Ta’ālā maakte duidelijk dat Hij niet door menselijke ogen kan worden aanschouwd, omdat de ogen van mensen niet geschikt zijn om het Licht van Allāh Ta’ālā te verdragen. De Profeet Mohammed ﷺ heeft Allāh Ta’ālā wel kunnen zien, omdat hij direct uit het Licht van Allāh Ta’ālā is geschapen.

4 De gebeurtenissen beschreven in Surah al‑Baqarāh (HQ2:48‑55)

Allāh Ta’ālā openbaart dat men de Dag moet vrezen waarop geen ziel een andere zal kunnen helpen, waarop geen voorspraak zal worden aanvaard, geen losprijs zal worden aangenomen en niemand geholpen zal worden. Hij herinnert eraan hoe Hij het volk van Mūsā redde van farao’s volk, dat hen met bittere marteling kwelde, hun zonen doodde en hun vrouwen spaarde. Ook herinnert Hij hen eraan hoe Hij de zee spleet, hen redde en farao’s volk liet verdrinken terwijl zij toekeken. Vervolgens vermeldt Hij dat Hij met Mūsā een tijd van veertig nachten afsprak, maar dat het volk in zijn afwezigheid het kalf aannam en overtreders werd.

5 De tafsīr: het vasten van Mūsā op de berg Sinaï

In de tafsīr wordt uitgelegd dat Ḥazrat Mūsā (ʿalayhis salām) herhaaldelijk verlangde Allāh Ta’ālā te zien, waarop Allāh Ta’ālā hem uitnodigde op de berg Sinaï. Daar moest hij dertig dagen vasten. Na deze dertig dagen dacht Mūsā dat door het vasten een onaangename geur uit zijn mond kwam en dat hij zo Allāh Ta’ālā niet wilde ontmoeten. Hij zag een waterplas, brak een takje van een struik en gebruikte dit als miswāk.

Allāh Ta’ālā vroeg hem of hij miswāk aan het doen was. Mūsā antwoordde dat hij dacht dat Allāh Ta’ālā de geur niet prettig zou vinden. Allāh Ta’ālā zei dat de geur van iemand die dertig dagen omwille van Hem heeft gevast beter ruikt dan musk, en beval hem nog tien dagen extra te vasten. Zo vastte Mūsā in totaal veertig dagen. Dit aantal dagen werd voor de joden verplicht, maar zij gaven hier later een eigen invulling aan. Daarna vergaf Allāh Ta’ālā hen, opdat zij dankbaar zouden zijn.

6 Het gouden kalf en de naamgeving van Surah al‑Baqarāh

Toen Ḥazrat Mūsā de berg Sinaï zou beklimmen, zei hij tegen zijn trouwe volgelingen dat hij na dertig dagen zou terugkeren en dat zij hem aan de voet van de berg moesten opwachten. Hij zou het Boek, de Torah, van Allāh Ta’ālā ontvangen. Allāh Ta’ālā gaf Mūsā het Boek en het oordeel des onderscheid, opdat het volk recht geleid zou worden.

Door de extra tien dagen die hij moest vasten, keerde hij niet na dertig dagen terug. Enkele mensen met een zwak Imān begonnen hem te beschuldigen van ontrouw. Zij verzamelden goud, smolten het en maakten een kalf dat zij begonnen te aanbidden. Vandaar dat deze Heilige Qur’ān Surah al‑Baqarāh (de koe) wordt genoemd.

7 De straf voor de overtreders en hun vlucht naar Hindoestaan

Toen Mūsā na veertig dagen terugkeerde, zag hij dat een deel van zijn trouwe volgelingen op hem wachtte, terwijl anderen afgoderij hadden gepleegd. Hij smeekte Allāh Ta’ālā om de overtreders te straffen, en Allāh Ta’ālā stuurde een straf over hen. Zij vluchtten met het kalf en kwamen in Hindoestaan (India) terecht. Daar beweerden zij dat het kalf hen had gered van de straf van Allāh Ta’ālā. Vervolgens namen zij het kalf als afgod aan.

8 De oproep tot berouw en de donderslag

Mūsā zei tegen zijn volk dat zij zichzelf onrecht hadden aangedaan door het kalf te aanvaarden en dat zij moesten terugkeren tot hun Schepper en hun eigen ik vernietigen, omdat dit het beste voor hen was. Allāh Ta’ālā wendde Zich genadig tot hen, want Hij is Berouw‑aanvaardend en Genadevol.

Toen zij zeiden dat zij Mūsā niet zouden geloven totdat zij Allāh Ta’ālā van aangezicht tot aangezicht zouden zien, trof hen een donderslag terwijl zij toekeek.

9 Het bevel om een koe te slachten

Later zei Mūsā tot zijn volk dat Allāh hen gebood een koe te slachten. Zij vroegen of hij de spot met hen dreef. Mūsā zocht toevlucht bij Allāh om niet tot de onwetenden te behoren. Allāh Ta’ālā herinnert hen eraan dat Mūsā met duidelijke tekenen tot hen kwam, maar dat zij in zijn afwezigheid het gouden kalf aannamen en onrechtvaardig waren.

10 Bhagat en de bhakti‑traditie

Pandit Narain, docent van de Imamopleiding, vertelde in 1980 dat hindoes drie jaar lang naar India reizen om daar rituele reiniging te verrichten, waarna zij ‘bhagat’ worden. Bhagat is een Punjab‑woord, afgeleid van het Sanskriet Bhagavata, dat een toegewijde van Bhagwan aanduidt. Veel toegewijde volgen de bhakti‑traditie, een pad van devotie en spirituele realisatie.

11 De onreinheid van afgoderij en het verbod op hulp zoeken bij afgoden

Allāh Ta’ālā openbaart dat afgodendienaren onrein zijn en na dat jaar de Heilige Moskee niet mogen naderen. Als men armoede vreest, zal Allāh Ta’ālā hen uit Zijn overvloed verrijken. Het is een schande om hulp te verwachten van afgoden, beelden of priesters om genezing te verkrijgen, en het is ongeloof om te vragen wat men nodig heeft van afgoden en standbeelden.

12 Het bevel tot gehoorzaamheid aan Allāh, Zijn Boodschapper en de ʿUlamā

Allāh Ta’ālā gebiedt de gelovigen om Hem en Zijn Boodschapper te gehoorzamen en degenen die onder hen gezag hebben. Wanneer zij over iets twisten, moeten zij het verwijzen naar Allāh en Zijn Boodschapper, omdat dit beter is en uiteindelijk het beste.

13 De boeken van de sekte Hindoe

Hindoes hebben geen godsdienstboeken omdat het een dharm (sekte) is. Hindoeteksten zijn manuscripten en omvangrijke historische literatuur die betrekking hebben op een van de diverse tradities binnen het hindoeïsme. Een paar teksten zijn gedeelde bronnen in deze tradities en worden algemeen beschouwd als hindoegeschriften; deze omvatten de Puran, Itihasa en Veda. Geleerden aarzelen bij het definiëren van de term ‘hindoegeschriften’, gezien de diverse aard van het hindoeïsme, maar velen noemen de Bhagavad Geeta. In twee hindoemanuscripten lezen wij de naam van de laatste Profeet Mohammed ﷺ. We vinden in de hindoescripts in vers 5 van Bhavishya Puran: “… Zijn naam zal Mahamad zijn… Mahadev Arab… ‘O gij! De trots van de mensheid, de bewoner van Arabië.’ …” (Prati Sarg Parv III).

In Sama Veda, II, 6, 8: “Ahmed heeft de religieuze wet van zijn Heer verworven. Deze wet van religie is vol wijsheid.” Desondanks blijven de hindoes in ongeloof vaststeken.

14 Kritiek op handelsethiek en omgang met kāfir

De hindoes en joden zijn aanbidders van Mammon; beide gemeenschappen en naties stonden bekend om hun hebzucht. De pre‑islamitische christenen hebben geen hoge standaard van bedrijfsethiek gehad. De Heilige Profeet Mohammed ﷺ adviseerde zijn Ummah als eerste om handel als beroep te adopteren en drong er bij zakelijke transacties op aan eerlijkheid en nauwkeurigheid uit te voeren. Verboden vriendschap met kāfir te hebben en hun festivals toe te juichen. Allāh Ta’ālā openbaart: “Zij, die ongelovigen tot vrienden nemen liever dan gelovigen, zoeken zij eer bij hen, hoewel alle eer aan Allāh behoort?” En Hij heeft u reeds in het Boek (Heilige Qur’ān) geopenbaard, dat wanneer gij hoort dat Allāh’s tekenen worden verloochend en bespot, gij niet [eerder] met hen [kāfir] samen zult zijn dan dat zij zich met een ander onderwerp bezighouden; anders zoudt je hun gelijk zijn. Voorzeker, Allāh zal de huichelaars en de ongelovigen allen tezamen in de hel bijeenbrengen. Surah an‑Nisā (de vrouwen), H4, verzen 139‑140.

15 Misleiding door Shayān en religieuze gebruiken

Shayṭān heeft hen bedrogen. De meeste vrouwen, die het feit niet weten, worden getroffen door deze pest en zoeken hulp bij sommige namen zonder betekenis; zij willen via hen (hindoes) problemen oplossen. Ze beoefenen de gebruiken van ongelovigen en de tekenen van ongeloof. Vooral in gevallen van pokken; deze overlast komt zowel voor bij goede als bij slechte. Er zijn maar weinig vrouwen die aan deze overlast kunnen ontsnappen en die geen enkel teken van ongeloof vertonen.

16 Shirk en het navolgen van religieuze feestdagen

Het is shirk (ongeloof, aan Allāh Ta’ālā partners toekennen) om de festivaldagen van hindoes [en de kerstavonden en paasdagen van christenen] en om hun gebruiken op die dagen na te volgen. Het veroorzaakt ongeloof. Op festivaldagen van ongelovigen doen de onwetende moslims, vooral de vrouwen, wat ongelovigen doen, denkend dat die dagen moslimfeesten zijn, en zij sturen elkaar cadeautjes zoals ongelovigen op die dagen; ze versieren hun meubels en maaltijdtafels als ongelovigen. Ze maken onderscheid tussen die nachten en andere nachten. Dit zijn allemaal vormen van shirk (ongeloof).

17 Historische begrafenispraktijken in India

In de beginperiode wierpen hindoes in India de lijken van hun doden in de rivier de Ganges. De lijken werden in stukken gebroken en opgegeten door krokodillen. Daar deze praktijk schadelijke geuren veroorzaakte, die op hun beurt pesten verspreidden zoals cholera, hebben zij een nieuwe methode ontwikkeld. Nu worden de lijken in hun tempels gecremeerd en wordt de as in de rivier gegooid.

18 Uitleg van Abdul Aziz Delhwi (ʿAlayhi al‑Ramah)

Abdul Aziz Delhwi (ʿAlayhi al‑Raḥmah) zegt in de interpretatie van Surah ʿAbasa dat Allāh Ta’ālā ons gebood om lijken in de aarde te begraven. Hindoes verbranden hun doden. Als het lijk wordt verbrand, verdwijnt het lichaam. De band tussen het lichaam en de ziel houdt op te bestaan. Als het lijk wordt begraven, blijft de ziel verbonden met het lichaam en het graf waarin het lichaam wordt geplaatst.

19 Cultuur van hindoes

De hindoe‑cultuur is een van de oudste levende culturen ter wereld en omvat een brede verzameling tradities, rituelen, filosofieën en sociale gebruiken die door miljoenen mensen in India en daarbuiten worden gevolgd. Ze is niet één uniforme cultuur, maar een mozaïek van regionale gewoonten, talen, rituelen en spirituele stromingen.

Centraal staan begrippen zoals dharma (plicht en ethisch leven), karma (gevolgen van daden), samsāra (kringloop van wedergeboorte) en moksha (spirituele bevrijding). Veel culturele uitingen — zoals muziek, dans, kunst, tempelarchitectuur en festivals — zijn verweven met deze ideeën. Belangrijke feestdagen zoals Diwali, Holi, Navratri en Rama Navami worden gevierd met rituelen, licht, kleur, zang en gemeenschapsactiviteiten.

De hindoe‑cultuur kent diverse spirituele tradities, waaronder bhakti (devotie), jñāna (kennis), karma‑yoga (dienstbaarheid) en rāja‑yoga (meditatie). Ook sociale gebruiken zoals gezamenlijke maaltijden, respect voor ouderen, rituele reiniging, en het markeren van levensfasen met ceremonies (zoals huwelijk en geboorte) maken deel uit van het culturele leven.