1. Inleiding

Het islamitisch recht vormt een religieus‑juridisch systeem dat het leven van moslims ordent. Het bestaat uit Allāh Ta’ālā richtlijnen (Sharīʿah) en de juridische uitwerking daarvan (Fiqh) door rechtsgeleerden. Het omvat zowel aanbidding, ethiek, familie, handel, strafrecht als maatschappelijke regels. Anders dan het Nederlandse recht is het islamitisch recht niet gecodificeerd in één wetboek, maar gebaseerd op openbaring en interpretatie door geleerden.

2. Sharīʿah – de Almachtige wet

Sharīʿah betekent “het pad naar water” en verwijst naar de goddelijke richtlijnen die Allah heeft geopenbaard. Kenmerken:

  • gebaseerd op Heilige Qur’ān en Sunnah van de profeet Mohammed ﷺ
  • omvat zowel religieuze plichten als maatschappelijke regels
  • is een moreel, ethisch en juridisch kader
  • is onveranderlijk, omdat het goddelijk is

Sharīʿah regelt drie relaties:

  • Mens – Allāh Ta’ālā (ʿibādāt: gebed, vasten, zakāt, ḥajj)
  • Mens – mens (muʿāmalāt: handel, huwelijk, erfenis, strafrecht)
  • Mens – samenleving (ethiek, rechtvaardigheid, bestuur)

3. Fiqh – de menselijke interpretatie

Fiqh betekent “begrijpen” en is de juridische wetenschap die Sharīʿah toepast op het dagelijks leven. Fiqh is niet Almachtig, maar het menselijke begrip van de devote bronnen. Bronnen van fiqh:

  • Heilige Qur’ān
  • Sunnah
  • Ijmaʿ (consensus van geleerden)
  • Qiyās (analogie)

Fiqh is veranderlijk, omdat interpretatie zich ontwikkelt door tijd, context en nieuwe situaties.

4. Rechtsscholen (Madhāhib)

Binnen het soennitische islamitische recht bestaan vier grote rechtsscholen:

  • Ḥanafī
  • Mālikī
  • Shāfiʿī
  • Ḥanbali

Ze delen dezelfde basisprincipes, maar verschillen in methodologie en interpretatie.

5. Verschil met Westers recht

  • Sharīʿah is religieus en moreel, niet alleen juridisch.
  • Geen gecodificeerde wetboeken; fiqh‑regels worden afgeleid uit bronnen.
  • Rechters raadplegen geleerden voor fatwa’s.
  • Het recht omvat zowel ethiek, spiritualiteit, aanbidding als juridische regels.