1 Inleiding
De student leert in deze les dat Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni zichzelf presenteerde met uitzonderlijke religieuze en profetische claims, waaronder het aannemen van identiteiten van eerdere profeten en het verheffen van zijn eigen openbaring boven klassieke islamitische bronnen. Daarnaast ziet de student hoe Mirza zijn missie verbond aan politieke loyaliteit aan de Britse overheid en actief campagne voerde tegen het traditionele begrip van jihād. Hierdoor krijgt de student inzicht in de kernpunten die volgens islamitische geleerden hebben geleid tot de afwijzing van Mirza’s leer binnen de orthodoxe islam.
2 De Definitie van Gelovigen in Qur’ān, Sunnah en de Uitspraken van de Profeet ﷺ
Wie is Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni? Was Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni een moslim? In de Heilige Qur’ān beginnen een aantal verzen in verschillende hoofdstukken met: “Yā Ayyuhalladhīna āmanū …” Vertaling: “O gelovigen!” Wie zijn dan de gelovigen? Lees de volgende twee ahadīth.
Overgeleverd door Ḥazrat Abū Hurayrah (raḍiyAllāhu ʿanhu) dat de profeet Mohammed ﷺ zei: “Al mijn volgelingen zullen het Paradijs binnengaan, behalve degenen die weigeren.” De metgezellen vroegen: “O Boodschapper van Allāh! Wie weigert?” Hij zei: “Wie mij gehoorzaamt, zal het Paradijs binnengaan; en wie mij ongehoorzaam is, is degene die weigert (het Paradijs binnen te gaan).” Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, deel 98 Vasthouden aan de Qur’ān en de Sunnah
Uitleg: dus kunnen wij van deze ḥadīth afleiden dat degenen die zich niet tot de Ahle Sunnah wa Jamā’ah rekenen en ook zodanig noemen en gedragen geen volgelingen van de Profeet Mohammed ﷺ zijn en dus behoren tot de groep ongelovigen.
De Heilige Profeet Mohammed ﷺ vertelde aan zijn metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum): “De godsdienst van Mūsā (Mozes) ʿalayhis salām zal opsplitsen in 71 stromingen, het geloof van Īsā (Jezus) ʿalayhis salām zal opsplitsen in 72 stromingen en mijn godsdienst zal opsplitsen in 73 stromingen, maar slechts één stroming (van mijn godsdienst) gaat naar het Paradijs.” De metgezellen vroegen: “O Profeet, welke stroming gaat met u naar het Paradijs? De Profeet antwoordde: “De grootste stroming.” Sunan Abu Dawood
Uitleg: dus kunnen wij van deze ḥadīth afleiden en weten wij ook, dat de grootste stroming in de wereld de Ahle Sunnah is en dus met de Profeet naar het Paradijs zullen gaan.
3 Internationale Consensus over de Uitsluiting van de Aḥmadiyyah‑Beweging uit de Islam
In 1974 kwamen islamitische schriftgeleerden en wetenschappers uit 124 landen uit de gehele wereld bijeen in Mekka (Makkah al-Mukarramah), onder voorzitterschap van de Muslim World League (Rābiṭat al-ʿĀlam al-Islāmī). Zij namen unaniem een resolutie aan waarin Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni (met als bijnaam Tattie Wala, “bewoner van het scheithuis”) en zijn volgelingen (Aḥmadiyyah Movement/Qādiānī’s/Ahmadi’s/Mirzai’s/Lahori’s) als afvallige ongelovigen werden beschouwd. Tevens verklaarden zij dat de volgelingen van Mirza Ghulām Ahmad uit de schoot van de islam waren geworpen.
Gedurende de afgelopen honderd jaar zijn religieuze wetenschappers uit Mekka, Medina (al-Madīnah al-Munawwarah), Egypte, India, Pakistan en andere Arabische en islamitische landen eensgezind geweest in hun houding tegenover deze afvallige ongelovigen. Zij beschouwen de Aḥmadiyyah Movement niet als een geloofsstroming binnen de islam.
De volgelingen van Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni noemen zichzelf Aḥmadiyyah-moslims. Zij richten zich met name op gebieden zoals Centraal- en West-Afrika, het Verre Oosten en de Centraal-Aziatische moslimrepublieken, waar veel moslims nog nooit van Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni en zijn Aḥmadiyyah Movement hebben gehoord.
Zij presenteren zich daar als (soennitische) moslims en maken gebruik van hun ruime financiële middelen door financiële en andere materiële ondersteuning aan te bieden. Op deze seculiere wijze zouden zij arme en onwetende moslims op grote schaal misleiden en hen in hun greep krijgen. Deze moslims, die meestal tot Ahle Sunnah wal Jamāʿah behoren, hebben vaak nog nooit gehoord van Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni en zijn beweging.
Zij zijn zich er niet van bewust dat een groot deel van de islamitische wereld deze sekte uit de schoot van de islam heeft geworpen en haar aanhangers daarom als ongelovigen beschouwt. Hierdoor kunnen Ahle Sunnah-moslims zich aansluiten bij de Aḥmadiyyah en zo, vanuit het perspectief van de orthodoxe islamitische opvatting, van gelovigen tot ongelovigen worden getransformeerd.
4 Als Ahmadi’s moslims zijn, waarom noemen zij zichzelf dan Ahmadi-moslims? Wie was Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni?
Mirza Ghulām Ahmad werd in 1839 geboren in het dorp Qadiyān, ten noorden van het Indiase subcontinent. Hij had naar verluidt de gewoonte om opium te gebruiken en wijn te drinken en leed op een gegeven moment aan verschillende lichamelijke en psychische aandoeningen. Dit zou duidelijk zijn weerslag hebben gehad op zijn latere werken.
Van huis uit kreeg hij enig religieus onderwijs, naar verluidt tegen een geringe materiële vergoeding. Hij beweerde dat hij de beloofde Messias en Mahdi was en dat hij de profeet van de tweede komst van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ was, die opnieuw op aarde was verschenen in de persoon van Mirza, met de opdracht om de islam te verspreiden.
Hij beweerde tevens dat hij openbaringen (waḥy) ontving en noemde zijn werk vervolgens Barāhīn-e-Aḥmadiyyah, alsof dit het Boek van God was.
De Britten ondervonden in India grote machtsproblemen als gevolg van het onverzettelijke verzet van de moslims. Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni schreef boeken en pamfletten waarin hij trachtte de verplichting van jihad af te schaffen en zich loyaal opstelde tegenover de Britse overheersing. Volgens deze opvatting was dit een duidelijke daad van geloof.
Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni richtte in 1889 zijn Aḥmadiyyah-beweging op en noemde zijn volgelingen Ahmadi-moslims. Hij noemde degenen die hem niet accepteerden en ook zijn vermeende profetische aanspraken niet aanvaardden, volgens de overlevering van zijn tegenstanders, onder meer met beledigende termen.
Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni overleed in 1908, maar zijn beweging bleef sindsdien bestaan en zich verder ontwikkelen.
5 Het anti-islamitische geloof van Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni
Rūḥānī Khazā’in is de titel van de collectie boeken van Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni, uitgegeven door het hoofdkwartier van de Aḥmadiyyah‑beweging in Londen. Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni schreef gedurende zijn leven ongeveer tachtig boeken, die volgens deze visie inzicht geven in zijn denkwijze en in de ontwikkeling van zijn religieuze opvattingen.
Zijn eerste boeken zouden grotendeels hetzelfde geloof bevatten als wat in andere islamitische werken wordt aangetroffen. Na verloop van tijd ondergingen zijn religieuze opvattingen echter volgens zijn critici een drastische verandering, en werden zijn geschriften steeds afwijkender van en kritischer tegenover de islam.
Om te bewijzen dat hij en zijn Aḥmadiyyah‑volgelingen eveneens (soennitische) moslims zijn, maakt de beweging volgens deze kritiek gebruik van literatuur waarin voornamelijk passages uit zijn eerdere werken worden aangehaald. Ahmadi’s spreken doorgaans over de Heilige Qur’ān en de aḥādīth, waardoor Mirza Ghulām Ahmad in eerste instantie op de achtergrond blijft. Afhankelijk van het publiek waartoe zij zich richten, presenteren zij hem als hervormer (Mujaddid), Mahdi of Messias.
Mirza Ghulām Ahmad Qādiānī’s aanspraak op een profetische status wordt volgens deze kritiek door zijn volgelingen niet altijd nadrukkelijk naar voren gebracht. Volgens deze visie blijven zij desondanks huichelaars.
Wij zullen enkele passages uit zijn boeken aanhalen die volgens islamitische geleerden de basis vormen om het geloof van Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni en zijn beweging als afvallig en ongelovig te beschouwen. Deze passages zijn onder andere:
5.1 Izālah‑e‑Auhām, opgenomen in Rūḥānī Khazā’in, deel 3, p. 114–472:
- “De Heilige Profeet Mohammed ﷺ begreep de bedoeling van Surah al‑Zalzalah niet.”
- “Andere profeten hebben ook fouten gemaakt en hebben tevens gelogen.”
- “De openbaring van Ḥazrat Mohammed ﷺ is ook op niets uitgelopen.”
- “Zijn openbaring informeerde Ḥazrat Mohammed ﷺ niet over Ibn Maryam, de Dajjāl, Khāre Dajjāl, Yajuj en Majuj en Dābbat al‑Arḍ.”
5.2 Barāhīn‑e‑Aḥmadiyyah, beschouwd als een belangrijk werk binnen de Aḥmadiyyah‑beweging en aangehaald in Rūḥānī Khazā’in, deel 22, p. 502:
- “Innā anzalnāhu qarīban min al‑Qadiyān wa bil‑ḥaqqi anzalnāhu.”
Volgens de weergegeven vertaling betekent dit: “Zonder enige twijfel hebben Wij hem naar Qadiyān gezonden, met de waarheid.”
Deze passage wordt door critici aangehaald als bewijs dat Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni beweerde dat zijn komst naar Qadiyān door een goddelijke openbaring was aangekondigd. Volgens deze interpretatie wordt hiermee tevens gesuggereerd dat de naam Qadiyān in de Qur’ān en de aḥādīth als profetische voorspelling zou zijn genoemd.
Hij schrijft ook dat namen als Mekka, Medina en Qadiyān in de Qur’ān met respect worden genoemd. Tevens wordt hem de uitspraak toegeschreven dat de Heilige Qur’ān woorden bevat die als onzedelijk kunnen worden beschouwd.
6 Mirza Ghulām Ahmad Qādiyānī’s Zelfverklaarde Profetische Aanspraken
Mirza claimt verder:
- Hij (Mirza) is de tweede komst van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, beter en superieur dan de eerste komst. (Rūḥānī Khazā’in, deel 16, p. 272).
- De Heilige Profeet Mohammed ﷺ is opnieuw gekomen om de islam te propageren. (Rūḥānī Khazā’in, deel 17, p. 249).
- Ahmadi’s moeten geen onderscheid maken tussen Mirza Ghulām Ahmad en Ḥazrat Mohammed ﷺ, omdat — volgens zijn uitspraak — iedereen die probeert onderscheid te maken tussen hem en Mustafa (de Profeet Mohammed ﷺ) hem niet erkent. (Rūḥānī Khazā’in, deel 16, p. 171).
- Mirza’s wahy (openbaring) vertelt hem dat: “Muhammadur Rasūlullāh walladhīna maʿahu ashiddaʾu ʿala al‑kuffār, ruhamāʾu baynahum.” Volgens Mirza wordt hij in deze openbaring door God “Mohammed” en “Rasūlullāh” genoemd. (Rūḥānī Khazā’in, deel 18, p. 207).
- Degene die Mirza’s Jamāʿat volgt, wordt een Ṣaḥābī (metgezel). (Rūḥānī Khazā’in, deel 16, p. 258–259).
- Aangezien Mirza volgens zijn eigen leer geen ander is dan de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, zou een Ahmadi die de Kalima Ṭayyibah opzegt (“Muhammadur Rasūlullāh”) daarmee — volgens deze opvatting — niemand anders bedoelen dan Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni.
7 De Transformatieve Zelfclaims van Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni
Van Mirza (zoon van Chirāgh Bibi) naar Jezus (zoon van Maria) Mirza is de zoon van Chirāgh Bibi, maar hij beweert ook dat hij Jezus, de zoon van Maria (Īsā ibn Maryam), is. Hij zegt dat God hem eerst gedurende een periode van twee jaar in Maryam had veranderd, en dat God hem daarna zwanger maakte en vervolgens de ziel van Īsā in hem blies. Hij bleef tien maanden zwanger, waarna God hem veranderde in Īsā, waardoor hij — volgens zijn eigen bewering — zowel Jezus als Maria was. (Rūḥānī Khazā’in, deel 19, p. 87–89).
8 Mirza’s Claims over Jezus (Īsā ibn Maryam)
Mirza claimt echter ook:
- Hij is Masīel Masīh, omdat hij volgens eigen zeggen bepaalde gaven bezit die ook aan Jezus werden toegeschreven. (Rūḥānī Khazā’in, deel 1, p. 593).
- Ḥazrat Īsā is de zoon van Yusuf Najjar. (Rūḥānī Khazā’in, deel 3, p. 254).
- Jezus (Ḥazrat Īsā) was — volgens Mirza — een gewone leugenaar, had de gewoonte om allerlei ontuchtige uitspraken te doen, was een alcoholist, een gulzigaard en een slecht mens. Hij was geen vrome man en zeker niet iemand die naar de waarheid zocht. Nee, hij was trots en verwaand en beweerde het geloof te verkondigen. (Rūḥānī Khazā’in, deel 9, p. 387; deel 11, p. 289).
- “Ik heb bepaalde gaven die ook aan Jezus worden toegeschreven. Mijn persoonlijkheid en die van Jezus zijn als twee delen van hetzelfde atoom of twee zaden van dezelfde boom.” (Rūḥānī Khazā’in, deel 1, p. 593).
- Jezus is dood en zal nooit meer terugkomen. (Rūḥānī Khazā’in, deel 3, p. 402).
- Het is een feit dat Jezus geen wonderen verrichtte. (Rūḥānī Khazā’in, deel 11, p. 289).
- Drie grootmoeders van Jezus waren — volgens Mirza — hoeren en overspelig, van wie het bloed in de aderen van Jezus stroomde. (Rūḥānī Khazā’in, deel 9, p. 417).
- Jezus werd krankzinnig door epilepsie. (Rūḥānī Khazā’in, deel 9, p. 417).
- “Ik wilde dat Jezus nooit op deze wereld was gekomen.” (Rūḥānī Khazā’in, deel 9, p. 417).
9 Zelfverheffing van Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni boven Qur’ān, Aḥādīth en de Haram
Mirza schept verder op over:
- “De Qur’ān is Gods boek en het zijn de woorden uit mijn mond.” (Advertentie van 15 maart 1897, Rūḥānī Khazā’in, deel 22, p. 87)
- “Ik geloof in mijn wahy (openbaring) zoals ik geloof in de Qur’ān en de Torah.” (Rūḥānī Khazā’in, deel 17, p. 454)
- “De basis voor onze claim is niet de aḥādīth (overleveringen van de Profeet Mohammed ﷺ), maar de Qur’ān en de wahy die tot mij is gekomen. Ja, als ondersteuning citeren wij ook uit de aḥādīth die overeenkomen met de Qur’ān en niet in strijd zijn met mijn wahy. De rest van de aḥādīth gooi ik weg als een stuk vuil papier.” (Rūḥānī Khazā’in, deel 19, p. 140)
- “Bait‑ul‑Zikr” (een moskee naast Bait‑ul‑Fikr, de werkkamer waar Mirza zat en zijn boeken schreef) “is gelijk aan de Haram al‑Kaʿbah (de beroemde moskee in Mekka). ‘Wa man dakhalahū kāna āminā’ — degene die mijn werkkamer binnentreedt, is in vrede.” (Rūḥānī Khazā’in, deel 1, p. 666–667)
- Over Qur’ānvers 17:1 (“Heilig is Hij die Zijn dienaar ’s nachts liet reizen van Masjid al‑Harām naar Masjid al‑Aqṣā”): Mirza stelt dat dit vers letterlijk van toepassing is op de moskee die door zijn vader is gebouwd. (Collectie van Advertenties, deel 3, p. 286)
10 Profetische Zelfclaims en Politieke Loyaliteit in Mirza’s Uitspraken
Mirza kondigde aan:
- “Ik ben Adam, ik ben Noah, ik ben Abraham, ik ben Isaac, ik ben Jacob, ik ben Ismaël, ik ben Mozes, ik ben Jezus (de zoon van Maria), ik ben Mohammed.” (Rūḥānī Khazā’in, deel 22, p. 521)
- “De ware God is Degene die Zijn boodschapper heeft gestuurd naar Qadiyān.” (Rūḥānī Khazā’in, deel 18, p. 231)
Mirza verklaarde verder:
- “Behalve de kinderen van hoeren, wier harten gesloten zijn voor God, heeft iedereen mij geaccepteerd en gelooft in mijn profetische gave.” (Āʾina‑e‑Kamālāt‑e‑Islām, Rūḥānī Khazā’in, deel 5, p. 547)
- “Hij die niet gelooft in Mirza Ghulām Ahmad Qadiyāni, is ongehoorzaam aan God en Zijn Profeet (waarmee hij zichzelf bedoelt) en zal naar de hel gaan.” (Advertentie van 25 mei 1900)
- “Ik ben een zelf ingeplante en zelf gecultiveerde zaailing van de Britse regering. De regering moet grote zorg betrachten voor deze zelf ingeplante zaailing, haar officieren instrueren om mij en mijn Jamāʿat met exclusieve vriendelijkheid te behandelen en gunsten te verlenen. Onze familie is nooit afvallig geweest, omdat zij hun bloed hebben laten vloeien voor de Britse overheersers; zij hielden nooit op levens te offeren en zullen nooit afvallig zijn tegenover het Britse Rijk.” (Rūḥānī Khazā’in, deel 13, p. 350)
- “Vanaf mijn vroegste jeugdjaren tot heden (65 jaar oud) ben ik met mijn pen en tong bezig geweest om de belangrijke taak te vervullen de harten van de moslims te veranderen in ware liefde, goedheid en sympathie voor de Britse regering, en om de ideeën van jihād uit de harten van de stommelingen te wissen.” (Kitāb‑ul‑Barīyah, Rūḥānī Khazā’in, deel 13, p. 350)
- “Voor het welzijn van de Britse regering heb ik 50.000 flyers gepubliceerd en verspreid in India en andere islamitische landen om jihād te verwerpen, met als resultaat dat honderdduizenden hun slechte ideeën over jihād hebben opgegeven.”
11 Besluit
Van bovenstaande leerstellingen en afwijkingen van Mirza Qadiyāni kunnen wij niet anders vaststellen dat hij en zijn volgelingen ongelovigen zijn.
Allāh Ta’ālā openbaart ten aanzien van het respect van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ in de Heilige Qur’ān:
وَرَفَعْنَا لَكَ ذِكْرَكَ
“En uw roem niet verheven?” Surah al-Sharḥ (de expansie), H94, vers 4
Op basis van dit vers kunnen wij afleiden, dat niemand in aanzien hoger is dan de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, omdat het voor zich spreekt dat wanneer na de Heilige Profeet Mohammed ﷺ nog een Profeet met een eigen godsdienst zou komen dit vers onwaar zou zijn. Integendeel dit vers getuigd al, dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ de Laatste Profeet is en een Profeet heeft het hoogste ambt. Kortom, eenieder die zich na de Laatst Profeet Mohammed ﷺ daarom als Profeet aankondigt, zoals Mirza Ghulām Qadiyāni, is een kazzāb (leugenaar) en kāfir (ongelovige).
Zijn volgelingen noemen zich naar verschillende namen die met hem verbonden zijn, namelijk:
- Mirza → Mirzai
- Ghulām → Ghulāmiyya
- Ahmad → Aḥmadiyyah
- Qadiyāni → Qadiyāni (een naam die verwijst naar zijn geboorteplaats in India)
Tegenwoordig ontstaan er binnen deze beweging ook nieuwe groepen, zoals de Lahori-groep.
De Aḥmadiyyah-beweging wordt door haar critici beschouwd als een instrument van een anti-islamitische heerschappij dat erop gericht is het geloof van de islam te ondermijnen. Dit zal echter nooit kunnen gebeuren.
Moge Allāh Ta’ālā het geloof van iedere moslim beschermen tegen alle kwade invloeden. ĀMĪN!