1 Inleiding

De student leert in deze les dat de Tablighi Jamaat een afwijkende beweging is die zich buiten de Ahl al‑Sunnah bevindt, dat hun praktijken en geloofsartikelen strijdig zijn met de islamitische aqīda, dat hun activiteiten moslimgemeenschappen misleiden en verzwakken, en dat de ʿUlamāʾ Ahl al‑Sunnat daarom oproepen om deze beweging te vermijden, hun programma’s te boycotten en vast te houden aan de zuivere soennitische leer.

2 Afwijkende stromingen en hun invloed op de Ahl al‑Sunnah

Deze bidʿah-groep werd opgericht in India in 1360 [1941 n.Chr.] door een man zonder madhhab genaamd Mawdūdī. In het boek ash‑Shakikan, gedrukt in 1988, staan artikelen van hem waarin hij Humaini prijst. De groep met de naam al‑Jamā’at ut‑Tablīghiyya werd opgericht door Mohammed Ilyās Delhwi in 1345 [1926 n.Chr.]. Deze man stierf in 1363 [1944 n.Chr.]. Zijn zoon Mohammed Yusuf, die hem opvolgde, prees op een sluwe manier de Sahāba in zijn Arabische boek Ḥayāt‑us‑Sahāba zeer veel; op deze wijze kon hij moslimjongeren misleiden. Yusuf stierf in 1394 [1974 n.Chr.].

Degenen die van de weg van de Ahl al‑Sunnah zijn afgeweken, presenteren zichzelf als moslims met behulp van de bovengenoemde namen als camouflage. Zij proberen vurig de ongelovigen de islam te leren door te zeggen dat de islam de ware religie is en de enige weg naar geluk. Sommige mensen die naar hen luisteren en de realiteit begrijpen, bekeren zich tot de islam. Echter, zij trekken deze pechvogels op hun ketterse manier naar zich toe.

De natuurkundige Abdus Salām, die de Nobelprijs ontving, was een Qadiyāni. Ahmad Deedat, die in Zuid‑Afrika met christenen debatteerde en hen in 1980 tot de islam trok, was geen man van de Ahl al‑Sunnah. Deze lā‑madhhabī voorkomen dat mensen die onlangs moslim zijn geworden, de weg van de Ahl al‑Sunnah betreden om de eeuwige gelukzaligheid te bereiken.

3 De Tablighi Jamaat: Afwijking van de Ahl al‑Sunnah

Er is een groep mensen onder de naam Jamaat Tablighi die islamitische landen bezoekt om te prediken en moslims te adviseren. Zij verlaten — en verlaten nog steeds — India en Pakistan in groepen van drie tot vijf personen en reizen de hele wereld over. Zij zeggen dat zij proberen de islam te verspreiden en beweren op het pad van de Sahāba te zijn. Sommigen zeggen ook dat zij de Ḥanafī madhhab volgen en Ibn Taymiyyah bewonderen.

Hoewel zij nuttig en rechtvaardig spreken, en hoewel zij nooit de namen of woorden van islamitische geleerden vermelden, doen zij zich voor alsof zij kennis van de Ahl al‑Sunnah bezitten, wat argwaan en verdriet wekt. In geschrifte van religieuze autoriteiten in India en Pakistan staat over hen: Zij zijn ketters; zij noemen zichzelf Jamaat Tablighi. Hun centrum is in Delhi (met grote vestigingen in Karachi en Lahore in Pakistan). Waar zij ook heen gaan, leggen zij veel nadruk op het verrichten van namāz. Zij geven nuttige en noodzakelijke religieuze informatie. Zij noemen deze activiteiten ‘kaste’ in de Urdu‑taal.

De geleerden van Ahl al‑Sunnah schreven vele boeken om de Tablighi‑groep te weerleggen en hun ketterse praktijken te onthullen. Ḥazrat Maulana Abdul Aleem Siddiqui schreef dat de leraren van Ilyās probeerden de islam van binnenuit te beschadigen. Dit is ook in detail beschreven in de boeken al‑Mustanad, Uṣool al‑Arbaʿa fī Tardīd al‑Wahhābiyyah, ad‑Dawlat al‑Makkīyya en Hidāyah‑ul‑Mehdiyyīn, gepubliceerd in Istanbul in 1395 (1975 n.Chr.).

Mohammed Yusuf werd opgevolgd door zijn zoon Sheikh Inʿām al‑Hasan, die ḥadīth-docent was aan de Mazāhir‑e‑ʿUloom madrassa in Saharanpur, India. Abu ’l‑Hasan Ali Nadwī, directeur van Nadwat al‑ʿUlamāʾ (opgericht in Lucknow in 1310 / 1891 n.Chr.), prijst al‑Imam ar‑Rabbānī Ahmad Sirhindī en zijn diensten in zijn boek ad‑Daʿwat al‑Islāmiyya [Lucknow, 1395 / 1975 n.Chr.], maar voegt daaraan lof toe voor Ismail Delhwi (vermoord in 1246), Nazir Hussain Delhwi (d. 1320), de madrassa in Deoband (opgericht door Mohammed Qāsim Nanautavi, d. 1317 / 1899 n.Chr.), een van de Khulafāʾ van Imdād Ullah in 1288 / 1871 n.Chr., Ashraf Ali Tahnawi (d. 1362), de Tablighi‑groep en haar oprichter Mohammed Ilyās.

Ḥazrat Sayyed Ahmad Makkī Beg, die het boek Taqwīm al‑Bayān heeft gelezen — een Perzische vertaling van Ismail Dehlwi’s Taqwīyat al‑Imān [Pakistan, 1396 / 1976 n.Chr.] — concludeert dat Ismail niet alleen een pure onbenul is, maar ook een lā‑madhhabī dwaas die streeft naar het censureren van de waarheid door deze met het verkeerde te verbinden. Moge Allāh Taʿālā de moslims beschermen tegen het lezen en geloven van ketterse geschriften, en moge Hij de ketters uiteen laten vallen in eindeloze ellende. Āmīn.

De beweging Tablighi Jamaat wordt door vijanden van de islam benut als een effectief instrument in hun poging om de ware islam in Europa en elders niet te laten groeien. Daarom is het voor iedere soennitische moslim een taak om de Tablighi Jamaat overal te weren en hun activiteiten te boycotten.

De Britten zochten voortdurend naar manieren om te infiltreren en de islam te ondermijnen. Zij hielden via spionage toezicht op iedere nieuwe moslimgroepering. De Tablighi Jamaat werd onder Britse heerschappij in India opgezet, net als de Aḥmadiyyah‑beweging van Mirza Ghulām Qadiyāni. Nadat zij de Tablighi Jamaat enige tijd hadden geobserveerd, realiseerden de Britten zich dat zij precies hadden gevonden wat zij zochten: een beweging die alle energie van haar eigen leden absorbeerde en geen gevaar vormde voor de Britse overheersers. Verder zagen zij dat jihad binnen deze beweging niet voorkwam. Zij begrepen dat de Tablighi Jamaat zich niet keerde tegen kāfir vijanden, maar juist tegen andere moslims.

4 Hun handelsmerk van ‘ware islam’

Het boek dat de meeste aanhangers van de Tablighi Jamaat bij zich dragen, is voor hen even belangrijk als de studie van de Heilige Qur’ān. Dit boek heet Teachings of Islam.

In Teachings of Islam schrijft de Tablighi Jamaat dat er geen enkele weg is naar eer, geluk, vrede of rust in het leven dan het adopteren en vasthouden aan het systeem van Tablighi: “NO WAY to gain honour, happiness, peace and tranquillity in this life OTHER THAN to adopt and firmly hold on the work and system of Tablighi.”

Deze verklaring laat zien dat de Tablighi Jamaat een exclusieve sekte wil zijn en blijven, die andere moslims uitsluit die hun definitie van islam niet volgen — een definitie die de moslim weerhoudt van wat Allāh Taʿālā in de Heilige Qur’ān heeft geopenbaard.

Wie hun vijfpuntenplan leest, merkt dat de auteur beweert dat het toepassen van deze vijf punten automatisch de groei van islam in de juiste vorm garandeert. Hij claimt dat dit de profetische methode is en werd gevolgd door vroegere moslims.

Wie verder leest, ziet dat dit vijfpuntenplan volledig tegemoetkomt aan de vijanden van de islam, omdat nergens kritiek wordt geuit op de kāfir regering. Wat een contrast met de daden van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ!

Vanaf de eerste dag dat de Heilige Profeet ﷺ zijn Profeetschap openbaarde, werden mensen die hem voorheen respecteerden vijandig tegenover hem. Wanneer de boodschap van islam als waarheid werd verkondigd, raakte zij de wortels van ieder ander systeem waarmee zij in contact kwam. Hoe anders is dit bij de Tablighi Jamaat.

De Britse uitgave The Economist, het huisblad van de kuffār, prijst in haar artikel The Other Side of Islam de Tablighi Jamaat door te schrijven dat “zolang zulke bewegingen bestaan en miljoenen moslims aantrekken, de essentiële islam zal blijven voortbestaan.” Zelfs de kāfir autoriteiten verwelkomen positief wat zich binnen de beweging afspeelt, omdat zij weten dat de Tablighi Jamaat hun werk doet.

Hun handelsmerk van zogenaamde ‘ware islam’ concentreert zich uitsluitend op Ijtima, Ghust, Chilla en het lezen van Kitāb. Voor de Tablighi Jamaat zijn activiteiten zoals Mawlood, Urs-vieringen, Isāle Sawāb, voordrachten van Salāms, bezoeken aan Mazārs van Awliyāʾ Allāh, enzovoort allemaal shirk en bidʿah.

5 Tablighi Jamaat’s rol in niet‑islamitische landen

De duizenden aanhangers van de Tablighi Jamaat richten hun energie uitsluitend op andere moslims en laten de kāfir‑machten vrij om hun goddeloze exploitatie onbelemmerd voort te zetten. Zij definiëren jihad als: “het verspreiden van de Kalima van Allāh en het volbrengen van Allāh’s Geboden” (Teachings of Islam).

In hetzelfde boek, onder het hoofdstuk Algemene Principes, staat het volgende: “Over geen enkele omstreden zaak of punten van bijkomstige belangrijkheid zal gediscussieerd worden … en beperk alle preek tot de punten van Tablighi.”

Dit programma — oorspronkelijk ontworpen om ervoor te zorgen dat de Tablighi Jamaat niet in conflict zou raken met de Britse autoriteiten in India — is nu uitgegroeid tot een houding die zich uitstrekt over alle aspecten van kuffār‑overheersing in de wereld. Het is de aanhangers van de Tablighi Jamaat zelfs verboden om hierover vragen te stellen. Geen wonder dat de vijanden van de islam hierover verheugd zijn.

Dit is de reden waarom de Tablighi Jamaat zich onbelemmerd kan bewegen in de kuffār‑landen van Europa en elders, terwijl andere moslims dagelijks worden gevangengenomen, gemarteld en gedood. In Israël, onder Zionistisch toezicht, mag de Tablighi Jamaat zich vrij bewegen in elk deel van het land om “Allāh’s Werk” te doen, terwijl Palestijnse mannen, vrouwen en kinderen die zich tegen de Zionistische heerschappij verzetten worden gemarteld en vermoord.

Het is evenmin verrassend dat onder het Apartheidsregime in Zuid‑Afrika — en tijdens de gruwelijke State of Emergency, waarin samenscholing streng werd beperkt en nauwlettend door de politie werd gemonitord — de Ijtima’s van duizenden volgelingen zonder enige politie‑ingreep konden plaatsvinden. Het is veelzeggend.

Met de vorm van islam die zij uitdragen, en hun verwerping van jihad in alle vormen, hebben kuffār‑politici deze Jamaat nooit onderzocht of als gevaar gezien. Geen enkel woord werd gericht tegen de leiders van de Jamaat tijdens het Apartheidsregime. Hun beleidsregel wereldwijd is: “Veroordeel geen kuffār en geen kuffār‑overheid!”

6 Tablighi Jamaat’s rol onder marionetten‑moslimoverheden

De Tablighi Jamaat heeft ook gefloreerd onder de marionetten‑ en corrupte regeringen van moslimlanden die hun land besturen met salarissen afkomstig van de kuffār (Israël, Amerika, Engeland, Frankrijk, enzovoorts). Duizenden brave en nederige moslims bidden in hun moskeeën om tevreden te kunnen leven onder een systeem dat de islam bestrijdt en zich openlijk toewijdt aan de onderdrukking van de ware islam.

7 Enkele van hun makrūh‑praktijken

7.1 Eten en slapen in moskeeën

Onuitgenodigd bezetten zij dagenlang lokale moskeeën, waar zij slapen, eten en hun programma’s op indrukwekkende wijze uitvoeren.

7.2 Rekrutering van handlangers

Zij veroorzaken grote overlast voor soennitische moslims door de gebeden in de moskeeën te verstoren. Onmiddellijk na de farnamāz verkondigen zij hun wervingsacties voor nieuwe handlangers. Hierdoor blijven moslims met een stevige soennitische aqīda weg uit de moskee.

Zij moedigen — en soms dwingen — arme, onbewuste soennitische moslims om hun gezinnen, familie en werkplaatsen te verlaten voor 3, 10, 20, 40 dagen of langer, en te vertrekken voor ghast (hersenspoeling), terwijl zijzelf behoren tot de hoogste klasse binnen de Tablighi Jamaat en overmatige rijkdom bezitten om zeer comfortabel te leven.

Vaak horen we dat hun vrouwen, nadat zij door hun echtgenoten zijn gehersenspoeld, zeggen: “Allāh zal ons Jannat schenken, omdat wij onze mannen niet belemmeren en hen op het pad van Allāh Taʿālā laten lopen.

7.3 Zij beschouwen alle anderen als minderwaardige moslims

De Tablighi Jamaati behandelen anderen nooit als zoekende gelovigen die leiding nodig hebben. Zij herhalen steeds dezelfde taqrīr (toespraak), ongeacht wie er voor hen zit. Veel van hun activiteiten zijn gebaseerd op het hebben van een slechte mening over soennitische moslims — iets wat door Allāh Taʿālā verboden is en volledig tegen de houding van de Boodschapper ﷺ ingaat, die weigerde te luisteren naar iets dat hem een slechte opinie over moslims zou geven.

In Teachings of Islam veroordelen zij alle moslims als mensen die zich bezighouden met ontucht en zonde. Bovendien behoort 99,9% van hun volgelingen in Zuid‑Afrika tot de Gujrat‑gemeenschap, die neerziet op andere etnische groepen.

7.4 Het negeren van de plicht om de boodschap van de islam aan de kuffār te verkondigen

Zij richten hun boodschap uitsluitend aan soennitische moslims — de vaste meerderheid die meer kennis heeft dan zijzelf — en negeren de kāfir‑populatie onder wie zij zich bevinden en aan wie zij eigenlijk hun boodschap zouden moeten richten.

De woorden van Allāh in de Qur’ān zijn vaak, en soms specifiek, gericht aan de kuffār. De inspanningen van de Heilige Profeet ﷺ en de Sahāba raḍiyAllāhu ʿanhum ajmaʿīn waren altijd gericht op het verkondigen van de islam aan hen.

Zelfs toen de Tablighi Jamaat Afrikaanse steden bezocht, was hun enige doel om reeds bekeerde Afrikaanse moslims te hersenspoelen voor hun eigen Tablighi‑beweging. Zij verkondigden niets van de islamitische boodschap aan de niet‑moslims van die steden.

7.5 Het grote aantal bezoekers van de Ijtima

Als de leiders van de Tablighi Jamaat oprecht zijn, laat hen dan hun eerstvolgende jaarbijeenkomst organiseren aan de oostelijke Jordaanoever en marcherend de rivier oversteken naar al‑Quds om het te bevrijden uit handen van de joden/zionisten.

Laat hen hun Ijtima organiseren bij de Babri Masjid in India en tegenwicht bieden aan de macht van hindoe‑extremisten om de moskee terug te nemen. Laat hen hun Ijtima houden bij het Shia‑centrum in Ottawa en het centrum overnemen ter bescherming van ware soennitische gelovigen.

Zij zullen dit beslist niet doen. De Tablighi Jamaat is alleen geïnteresseerd in het uitbreiden van hun groepsaantal en het verspillen van de energie van duizenden moslims.

Toen de Tablighi Jamaat werd gevraagd naar hun volledige onverschilligheid tegenover de dominantie van de kuffār, zeiden zij: “Wij zijn nog niet sterk genoeg om iets te doen.”

Ondertussen pronken zij met het grote aantal mensen dat hun Ijtima’s bezoekt.

Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān:

يٰأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ حَرِّضِ ٱلْمُؤْمِنِينَ عَلَى ٱلْقِتَالِ إِن يَكُن مِّنكُمْ عِشْرُونَ صَابِرُونَ يَغْلِبُواْ مِئَتَيْنِ وَإِن يَكُنْ مِّنكُمْ مِّئَةٌ يَغْلِبُوۤاْ أَلْفاً مِّنَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِأَنَّهُمْ قَوْمٌ لاَّ يَفْقَهُونَ

 “O profeet, spoor de gelovigen aan om te vechten. Als er twintig onder u zijn die standhouden, zullen zij tweehonderd overwinnen en als er honderd uwer zijn zullen zij duizend der ongelovigen verslaan, omdat zij een volk zijn dat niet wil begrijpen.” Surah al-Anfāl (de oorlogsbuit) H8, vers 65

Het Tablighi Jamaat’s gebrek kan dus niet beschouwd worden als een legitiem excuus. En, spreken over massa nikāḥ (huwelijksvoltrekkingen) die in deze Itjma plaatsvinden, wat in feite een ontmoeting is van de rijke bovenklasse, de bruidegoms kruipen onmiddellijk in sommige moskeeën binnen om veertig dagen lang daar te slapen. Na deze veertig dagen worden zij zogenaamd ‘spiritueel verlicht’ en elk van de bruidegom wordt vervolgens gekwalificeerd als Moulvī!

8 Onbeantwoorde Vragen aan de Tablighi Jamaat

De Tablighi Jamaat claimt dat hun beweging een Sunnah van de Heilige Profeet ﷺ en de Sahāba is, terwijl zij tegelijkertijd zeggen dat Moulvī Ilyās de oprichter van de beweging is. Daarom zijn de volgende retorische vragen aan de Tablighi Jamaat gesteld:

Als dit werkelijk een Sunnah van de Heilige Profeet ﷺ is, zoals zij beweren, dan moet dit bewezen worden aan de hand van authentieke islamitische bronnen. Bronnen die aantonen dat de Heilige Profeet ﷺ en zijn Sahāba ook Jamaats vormden, ghast deden, Tablighi van kalimah en namāz onder moslims uitvoerden.

Waarom is deze Sunnah dan 1419 jaar genegeerd? Moeten wij de spirituele sterren van de afgelopen eeuwen classificeren als anti‑Sunnah?

Als dit werkelijk een Sunnah‑praktijk is, dan kan Moulvī Ilyās onmogelijk de oprichter zijn. Maar als hij wél de oprichter is, dan heeft dit soort Tablighi vóór hem niet bestaan. Het is dus een bidʿah.

Het is een religieuze plicht voor de aanhangers van de Tablighi Jamaat om de positie van hun Tablighi‑werk te verduidelijken en de moslimgemeenschap inzicht te geven.

9 De aqīda van Tablighi Jamaat

Voor een goede en stevige Imān (geloofsovertuiging) dient men een correcte aqīda (leerstelling) te hebben. Daarom hebben wij enkele niet‑islamitische geloofsartikelen van de leiders van de Tablighi Jamaat opgesomd, met daarbij de correcte islamitische antwoorden. De huidige Moulvī’s en volgelingen van de Tablighi Jamaat weigeren in te zien wie de personen waren die zulke geloofsartikelen verkondigden, en nemen daardoor geen afstand van deze valse overtuigingen.

De niet‑islamitische geloofsartikelen die wij hebben vermeld, en die door hun aanhangers worden nageleefd, zijn.

Vals geloofsartikel 1: “Allāh kan liegen.” Barāhīn‑e‑Qāṭiʿa van Khalīl Ambetwi, Yakrozi van Ismāʿīl Delhwi, Fatāwa Rashīdiyya van Rashīd Ahmad Gangohī

Verweer: Liegen is een tekortkoming die onmogelijk voorkomt in de Zāt (eigenschap) van Allāh Ta’ālā. Het is volledig muḥāl (onmogelijk) voor Allāh om te liegen. Allāh is vrij van alle vormen van tekortkomingen en mankementen; daarom is liegen muḥāl voor Allāh Ta’ālā.

Vals geloofsartikel 2: “De Profeet ﷺ is gestorven en met de aarde vermengd.” Taqwīyat‑ul‑Imān van Ismāʿīl Delhwi

Verweer: In de ḥadīth staat: “Zeer zeker, Allāh Taālā heeft de aarde ḥarām gemaakt om de lichamen van profeten aan te tasten.” Ook staat geschreven dat de profeten in leven zijn in hun graftombes en door Allāh Ta’ālā worden voorzien van levensonderhoud.

Vals geloofsartikel 3: “Iedere schepping, hoe groot of klein, is gelijkwaardig aan een schoenlapper voor Allāh.” Taqwīyat‑ul‑Imān van Ismāʿīl Delhwi

Verweer: De Heilige Profeet ﷺ is de meest dierbare schepping van Allāh Ta’ālā. Allāh heeft zelfs qasm (gezworen) bij de stad van de Heilige Profeet ﷺ. Hij is de meest bijzondere schepping van Allāh Ta’ālā. Ieder woord van de Heilige Profeet ﷺ wordt in het Hof van Allāh geaccepteerd. Na Sayyidunā Rasūlullāh ﷺ heeft Allāh niets geschapen dat hoger in rang is dan de Profeet ﷺ zelf.

Vals geloofsartikel 4: “Denken aan een os of ezel in namāz is toegestaan, maar denken aan de Profeet ﷺ in namāz is shirk.” Sīrat‑e‑Mustaqīm van Ismāʿīl Delhwi

Verweer: Voor een moslim die ibādat verricht als een nobele daad van Rasūlullāh ﷺ, is het vanzelfsprekend dat hij tijdens namāz aan de Heilige Profeet ﷺ denkt. Dit geloof brengt de gedachte aan de Profeet ﷺ in het hart van de aanbidder.

Niet alleen is het toegestaan om aan de Profeet ﷺ te denken tijdens namāz, het is zelfs de wens van de Sharīʿah dat men de Heilige Profeet ﷺ gedenkt tijdens Tashahhud. Volgens de fuqahāʾ (juristen) is het wājib te geloven dat de Heilige Profeet ﷺ u observeert en waakzaam is over uw daden.

Vals geloofsartikel 5: “Iedere persoon die zegt dat Nabī ḥāḍir en nāẓir is, is een kāfir.” Jawāhir‑ul‑Qur’ān van Ghulāmullāh Khān

Verweer: Zolang men niet accepteert dat Rasūlullāh ﷺ ḥāḍir en ẓir is, is het concept van Risālah niet volledig. Onze Heilige Profeet ﷺ is shahīd, mubashshir en ẓir.

Vals geloofsartikel 6: “Het vieren van Milād lijkt op de viering van een hindoe‑godheid.” Barāhīn‑e‑Qāṭiʿa van Khalīl Ambethwi

Verweer: Milād is een middel om zegen te verkrijgen en dichter bij Allāh Ta’ālā te komen. Het is de praktijk van vele vooraanstaande voorgangers. Er zijn talloze Sharīʿah‑bronnen die de authenticiteit ervan bevestigen. Rasūlullāh ﷺ vastte op maandag omdat hij op maandag werd geboren.

Vals geloofsartikel 7: “Als Allāh wil, kan Hij miljoenen Mohammeds creëren.” Taqwīyat‑ul‑Imān “Een profeet kan zelfs na Mohammed ﷺ komen.” Tahdhīr‑un‑Nās

Verweer: De deuren van het Profeetschap zijn verzegeld. De Heilige Profeet Mohammed ﷺ is de Zegel der Profeten. Hij heeft gezegd dat na hem geen profeten meer zullen komen. Ieder persoon die beweert dat Nubuwwat na de Heilige Profeet ﷺ mogelijk is, is een kazzāb (leugenaar), Dajjāl en Shayṭān.

Vals geloofsartikel 8: “Raḥmatullīl ʿĀlamīn is niet exclusief voor de Profeet ﷺ; ook de Ummah is Raḥmatullīl ʿĀlamīn. Fatāwa Rashīdiyya

Verweer: Raḥmatullīl ʿĀlamīn is een unieke eigenschap van Rasūlullāh ﷺ, zoals duidelijk vermeld in de Heilige Qur’ān.

10 Bevindingen over de Aqīda‑afwijkingen van de Tablighi Jamaat

Het geloven in de hierboven aangehaalde valse geloofsartikelen van de Tablighi Jamaat maakt een gelovige tot een hypocriet, en plaatst die persoon in het gezelschap van Shia, Rafizī, Kharijieten, Qadiyāni, Aḥmadiyyah, Mirzai, Ghulāmiyya, Lahori, Ghayr‑Muqallid (Ahle Hadith), Tablighi, Deobandi, Wahhābī, Mawdūdī, Ahle Qur’ān (mensen die ḥadīth en Sunnah niet accepteren), enzovoort — allen groepen die volledig buiten de islam staan.

Iemand die valselijk beweert de echte Mahdi te zijn, is gedwaald en een fāsiq. Iemand die zegt dat Allāh Ta’ālā kan liegen, dat de Heilige Profeet ﷺ kennis heeft die gelijk is aan die van dieren, dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ niet de Laatste Boodschapper is, dat het vervloeken van de Sahāba niemand tot een misdadiger maakt, of dat de kennis van de Profeet ﷺ minder is dan die van Shayṭān, is een kāfir (ongelovige).

Wij dienen geen namāz te verrichten achter de bovengenoemde groepen of achter mensen die deze uitspraken doen. Ook dient een ware moslim — die liefde heeft voor Allāh Ta’ālā, de Heilige Profeet ﷺ en zijn gezin, de Sahāba (raḍiyAllāhu ʿanhum) en de Awliyāʾ Allāh (Raḥmatullāhi ʿalayhim) — niet om te gaan met mensen uit de bovengenoemde sekten en bewegingen.

Het toch onderhouden van relaties met hen is schadelijk voor onze soennitische Imān.

11 Slotconclusie over de Tablighi Jamaat

De leden en aanhangers van de Tablighi Jamaat zijn extreem onpopulair geworden binnen vele moslimgemeenschappen wereldwijd, zelfs in Zuid‑Afrika. Toch beginnen zij opnieuw door velen getolereerd te worden. In feite doen zij — overeenkomstig de methode van christelijke evangelisten — niets anders dan spelen met de schuldgevoelens van onzekere mensen, hen een emotionele omgeving bieden waarin zij tot rust kunnen komen en anderen ontmoeten die hetzelfde doen. Zulke “bekeringen” zijn doorgaans zeer oppervlakkig en soms zelfs gevaarlijk voor de betrokken personen.

Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat de aanhangers van de Tablighi Jamaat kuffār (ongelovigen) zijn. Zij vormen, net als de Deobandi en de hedendaagse salafisten, een aftakking van het Wahhābisme dat is opgericht door Abdul Wahhāb Najdī.

De hooggeleerde ʿUlamāʾ Ahl al‑Sunnat komen tot het volgende besluit:

  1. Wij verklaren dat de Tablighi Jamaat door eigen toedoen een afwijkende sekte (nieuwe firqah) binnen de islam is, en dat deze sekte door de vijanden van de islam wordt misbruikt om hen te helpen voortdurend te strijden tegen corporate governance (goed bestuur) conform de Wetten van Allāh Taʿālā, zodat de islamitische wetten niet opnieuw in de wereld worden ingevoerd.
  2. Wij roepen het leiderschap van de Tablighi Jamaat op te erkennen dat zij direct verantwoordelijk zijn voor de misleiding van miljoenen moslims, en om hun huidige programma te ontbinden, dat uitsluitend de belangen van de vijanden van Allāh Taʿālā dient.
  3. Wij roepen alle aanhangers van de Tablighi Jamaat op om de ongewilde rol die zij door deze sekte hebben gekregen te verwerpen, en terug te keren naar de Dīn (godsdienst) van Allāh Taʿālā.
  4. Wij roepen alle soennitische moslims op om de Tablighi Jamaat te ontkennen en hun activiteiten te boycotten, door hen geen toestemming te geven om in moskeeën te slapen of daar activiteiten te ontplooien. Tevens roepen wij alle soennitische moslims op om het “moderne perspectief van de islam” te verwerpen dat zij aan Allāh Taʿālā en Zijn Boodschapper ﷺ toeschrijven.