Islamitisch onderwijs wekt in een moslim de fundamenten van de islam. Islam is een manier van leven voor ons moslims, niet alleen een geloof. Om een ​​moslim te laten opgroeien en zijn leven op de islamitische manier te leven moet hij/zij de islam van jongs af aan leren en beoefenen.

Studievaardigheden

College voorbereiden en bijwonen

5 à 10 minuten voorbereiding levert enorme leerwinst op

Ga bij jezelf na waarom jij de colleges volgt: 

  1. Om enthousiast te raken over bepaalde onderwerpen? 
  2. Om uitleg te krijgen over moeilijke begrippen? 
  3. Om medestudenten weer eens te zien, spreken en ervaring uit te wisselen? 
  4. Om met andere studenten over de leerstof te praten? 
  5. Om vragen te stellen aan de docent? 
  6. Om je gemaakte thuisopdrachten, casussen te bespreken? 

Ga voor jezelf na of het volgen van colleges voor jou effectief is (je begrijpt het dan beter) en efficiënt (hierdoor kost het je minder tijd om je de leerstof eigen te maken) 

Zorg dat je erop gericht bent informatie op te nemen: 

  1. Besteedt 5-10 minuten aan het globaal doornemen van de leerstof zodat je vertrouwd raakt met belangrijke begrippen, vaktechnische termen e.d. 
  2. Kijk even naar de rode draad van het vak 
  3. Kijk even naar de aantekeningen en hand-outs van de vorige les 
  4. Vraag je zelf af wat je al weet van het onderwerp 
  5. Ga bij jezelf na wat jou interesseert in het onderwerp 
Colleges volgen

Een goede voorbereiding is het halve werk!

Tijdens colleges: 

  1. Let vooral op het begin en het eind van het college, omdat in het begin vaak de structuur wordt aangegeven en op het eind de essentie wordt samengevat. 
  2. Verdeel de pagina’s in je aantekeningenschrift in drie kolommen: (a) kolom 1 (4 cm) voor trefwoorden; (b) kolom 2 (13 cm) voor aantekeningen tijdens het college en (c) kolom 3 (4 cm) voor eigen ideeën, overpeinzingen of vragen. 
  3. Maak korte zinnen en beperk je zoveel mogelijk tot trefwoorden. 
  4. Gebruik afkortingen en ontwikkel een eigen notatiesysteem (zie voorbeeld: ‘notatiesysteem’).
  5. Gebruik lijnen en pijlen om relaties aan te geven (zie voorbeeld ‘relaties tussen begrippen’). 
  6. Maak een onderscheid tussen ‘uitleg’ en ‘illustratie of voorbeeld ter verduidelijking’. 
  7. Stel vragen aan de docent. Als je bang bent een ‘domme vraag’ te stellen, weet dat domme vragen niet bestaan.

Na afloop van het college: 

  1. Kijk je aantekeningen liefst zo snel mogelijk na het college nog eens door.
  2. Noteer de hoofdzaken in trefwoorden in kolom 1. 
  3. Schrijf eventuele vragen in kolom 3 op en stel ze bij het eerstvolgende college. 
  4. Houd je aantekeningen bij de hand als je de leerboeken bestudeert. 
Oriënteren op de leerstof

Hoe screen je een boek of hoofdstuk?

Kijk het leerboek globaal door: 

  1. Titel 
  2. Voorkant en achterkant 
  3. Inhoudsopgave 
  4. Inleiding 
  5. Samenvatting

Als je dezelfde elementen vaker terug ziet komen, heb je de rode draad te pakken. 

Kijk het hoofdstuk globaal door: 

  1. Titel van het hoofdstuk 
  2. Inleiding 
  3. Titels van paragraaf 
  4. Eerste zinnen en de slotzinnen van elke paragraaf 
  5. Figuren, tabellen en diagrammen 
  6. Conclusies en samenvattingen 

Screen een hoofdstuk op kernpunten: 

  1. Laat je ogen snel gaan over: 
  2. Specifieke feiten 
  3. Definities 
  4. Formules 
  5. Trefwoorden 
  6. Uitspraken 

Beantwoord de volgende vragen: 

  1. Wat is de hoofdvraag waarop het boek een antwoord probeert te geven? (Thema?) 
  2. Wat weet ik al over dit onderwerp? 
  3. Hoe moeilijk is het boek? 
  4. Hoeveel tijd zal het mij kosten om dit boek goed te bestuderen? 

Lees actief

Houd bij het lezen rekening met het volgende: 

  1. Bepaal vooraf hoeveel pagina’s je in een bepaalde tijd wilt bestuderen (wees daarbij realistisch en pas je planning eventueel aan).
  2. Verdeel een hoofdstuk in onderdelen en probeer niet alles achter elkaar intensief te bestuderen. 
  3. Markeer eerst je tekst met potlood en pas later met kleur. 
  4. Markeer belangrijke zaken en gebruik max. 3 kleuren voor verschillende aspecten (b.v. hoofdzaken ‘groen’, details ‘geel’, definities ‘blauw’); beperk jezelf en maak er geen bonte kermis van (zie voorbeeld ‘markeren van een tekst’). 
  5. Stel jezelf voortdurend vragen (bijv. ‘Welke vraag probeert de auteur in een paragraaf te beantwoorden?’, ‘Wat’, ‘Waarom’, ‘Hoe’, ‘Wanneer’ e.d.). 
Gegevens analyseren

Bereken niet wat al gegeven is!

Geef geen antwoord op wat niet gevraagd is!

Bij het maken van opdrachten en vraagstukken is het van belang niet te snel te beginnen met mogelijke oplossingen die je te binnen schieten. Schrijf deze eerste associaties wel op een kladje en bewaar ze, want je kunt ze later gebruiken om jezelf te controleren. Maar begin eerst met een goede analyse van datgene wat in de opdrachtomschrijving wordt aangereikt. Dus: 

  1. Lees eerst de opdracht goed door. 
  2. Schrijf je eerste associaties op een kladje. 
  3. Analyseer de opdracht in ‘gevraagd’ en ‘gegeven’. 
  4. Maak een duidelijk onderscheid tussen het ‘gegeven’ en het ‘gevraagde’. 
  5. Maak eventueel een schetsje bij het vraagstuk. 
  6. Maak gebruik van een lijst met kernformules (zie voorbeeld: kernformules).
Kwaliteit van de oefeningen

Leren is niet na-apen van de docent

Leren is stoeien met de leerstof

  1. Maak een tabel met cellen waarin per cel het leerstofonderdeel en de daarbij behorende formules zijn opgenomen (zie voorbeeld: kernformules). 
  2. Bestudeer de theorie per onderdeel en maak de daarbij behorende vraagstukken en zorg dat je de theorie steeds bij de hand hebt om die eropna te slaan tijdens het maken van de vraagstukken. 
  3. Stel vragen aan je docent. 
  4. Raadpleeg ook andere boeken over hetzelfde onderwerp als iets niet duidelijk is of moeilijk te begrijpen. 
  5. Als je merkt dat je vaak vastloopt en er alleen niet uitkomt, praat dan tijdens de pauzes met medestudenten of vorm een werkgroepje. 
  6. Pak het vraagstuk systematisch aan (zie: stroomschema voor een systematische probleemaanpak).
Kwantiteit van de oefeningen

Oefening baart kunst!

  1. Maak zoveel mogelijk opgaven want uitleg van een docent begrijpen is echt iets anders dan zelf een opgave maken. Worstelen met de leerstof is geen teken van ‘domheid’, maar een wezenlijk onderdeel van het leerproces. 
  2. Als je niet alle opgaven kunt maken, kies dan een strategie waarbij je zowel makkelijke als moeilijke opgaven maak. 
  3. Als je niet alle opgaven kunt maken, zorg dan wel dat je de opgaven spreidt over onderwerpen die meestal in de tentamens bevraagd worden (gebruik hiervoor oude tentamens; let er wel op of ze van dezelfde docent zijn, want dat maakt veel uit!). 
  4. Gebruik het maken van opgaven als een diagnostisch instrument. Een opgave die je niet kunt maken betekent dat je de daarbij behorende leerstof niet beheerst. Kun je een moeilijke opgave wel maken, dan beheers je die leerstof wel. 
  5. Blijf niet doorrommelen wanneer je moet afhaken, maar zoek effectieve steun bij medestudenten of zoek er een ander, eenvoudiger boek erbij. 
Tekst relateren en structureren

Door leerstofonderdelen aan elkaar te relateren en door de structuren van een leerstofgebied in kaart te brengen krijg je meer inzicht in de stof, waardoor je die ook gemakkelijker kunt onthouden. 

Hoe leg je relaties tussen leerstofonderdelen?

  1. Ga na hoe een leerstofonderdeel samenhangt met de grote lijn (zie ‘oriënteren op leerstof’).
  2. Ga na wat de verschillende onderdelen van een leerstofgebied met elkaar te maken hebben. 
  3. Zoek naar overeenkomsten en verschillen tussen theorieën, visies, conclusies, formules e.d. 
  4. Vraag je steeds af waarom bepaalde gegevens leiden tot bepaalde conclusies. 
  5. Bedenk wat het verband is tussen de gegeven voorbeelden en de begrippen die uitgelegd worden. 
  6. Vergelijk de nieuwe kennis met datgene wat je al weet of wat je in andere vakken hebt geleerd. 

Hoe breng je structuur aan in de leerstof?

Besteed aan het begin van een vak 15 minuten aan: 

  1. Het maken van een schema van de grote lijn in een vak; gebruik hiervoor de inhoudsopgave van een boek of de vak omschrijving uit de studiegids. 
  2. Het maken van een schema van datgene wat je al weet over dit onderwerp (dit noemen we een ‘mind-map’; dat is een schema dat in jouw hoofd zit, maar dat je je nog niet zo bewust was). 
  3. Het vergelijken van je mind-map met het schema dat je hebt gemaakt op basis van de inhoudsopgave. 
  4. Stel dit schema steeds bij op basis van datgene wat je hoort op colleges en leest in de leerstof. 
  5. Ga na welke onbewuste modellen je hanteert bij bepaalde begrippen (techniek studenten). 
  6. Maak een lijst van kernbegrippen, kerndefinities of kernformules.  
  7. Werk met structuurschema’s i.p.v. samenvattingen; dat scheelt veel tijd en is even effectief.
  8. Hang de structuur op aan een ordeningsprincipe; voorbeelden van dergelijke ordeningsprincipes zijn: 
  9. Feiten – argumenten – conclusies 
  10. Principes – voorbeelden daarvan 
  11. Oorzaken – gevolgen 
  12. Oude situatie – ingreep – nieuwe situatie 14. e.d. 
Tot in details bestuderen

Hanteer een flexibele leerstrategie

Voor sommige vakken zijn details erg belangrijk. Het stap voor stap uiteenrafelen van een probleem, een gedachtegang, theorie of stelling is daarbij heel belangrijk. Door het opsplitsen van een groter geheel in de samenstellende onderdelen of gebeurtenissen krijgt men greep op een ingewikkeld onderwerp en de rol die hierbij gespeeld wordt door de afzonderlijke componenten. 

  1. Splits het onderdeel op in kleinere gehelen (let hierbij wel op het geheel!). 
  2. Splits de kleinere gehelen weer op in nog kleinere onderdelen. 
  3. Maak gebruik van lijstjes en rijtjes. 
  4. Maak een schema, waarbij de pijlen de relaties aangeven (zie voorbeeld ‘structuurschema’).
Memoriseren, herhalen en parafraseren

Stampwerk leuk?!

Vakjargon versus eigen woordgebruik

  1. Leer alleen zaken uit je hoofd waarin moeilijk een samenhang is te ontdekken

(Zoals jaartallen, definities, e.d.) en die je toch moet onthouden. 

  • Maak gebruik van acroniemen voor het onthouden van rijtjes (zie voorbeeld ‘acroniem’)
  • Door vaktermen te combineren met eigen woorden kun je de leerstof beter onthouden. 
  • Neem een korte pauze, wanneer je merkt dat je je niet langer kunt concentreren. 
  • Vaak herhalen is beter onthouden. 

Herhalen?

3 x intensief of

1 x intensief en 4 x kort

  1. Het beter is de leerstof op verschillende manieren door te nemen. 
  2. Eerst zoeken naar de rode draad. 
  3. Dan globaal doornemen. 
  4. Dan intensief bestuderen en markeren. 
  5. Daarna markeringen omzetten in schema’s en 
  6. Voor het examen de schema’s nog eens doornemen. 

Op deze manier heb je de leerstof diverse keren doorgenomen, maar telkens op een andere manier. 

Concretiseren en personaliseren

Als ik het voor het zeggen had, dan ….

Door abstracte kennis concreter te maken kun je het beter onthouden. 

Stel dat je afgestudeerd zou zijn en je zou een taak krijgen waarbij je de inhoud van het vak dat je nu aan het bestuderen bent, zou moeten toepassen, dan … 

Hoe doe je dat nu? 

  1. Bedenk voorbeelden bij de stof. Maak hierbij gebruik van eigen ervaringen of van zaken die je op t.v. of in de krant bent tegengekomen. 
  2. Ga na wat de praktische consequentie is van bepaalde kennis. 
  3. Probeer een abstracte redenering concreet te maken door er situaties of plaatjes bij te bedenken (zie voorbeeld: ‘situatie bij abstracte redenering’). 
  4. Pas de kennis toe in situaties buiten de studie. 
  5. Probeer de kennis te gebruiken om gebeurtenissen in de wereld van alle dag te interpreteren. 
 Kritisch verwerken

Neem nooit klakkeloos dingen aan

Op bepaalde momenten in de studie wordt niet alleen gevraagd of je de leerstof begrepen hebt, maar er wordt van je verlangd dat je de leerstof kritisch bekijkt. Hoe pak je dat aan? 

  1. Stel jezelf steeds vragen tijdens het bestuderen van de leerstof (Waarom? Hoezo? Waar? Waarom vindt de auteur het zo belangrijk om hierover een heel hoofdstuk of boek te schrijven?). 
  2. Zet jezelf schrap tijdens het studeren, d.w.z. speel de supercriticus. Dan moet jij tegenargumenten bedenken tegen alles wat er geschreven staat. 
  3. Ga na of er sprake is van feiten en/of meningen. 
  4. Ga na of de feiten verifieerbaar zijn (bedenk één tegenvoorbeeld met eigen ervaringen of zaken die je gezien, gehoord of gelezen hebt op t.v., in kranten of boeken). 
  5. Ga na welke argumenten door de auteur worden gebruikt en probeer deze argumenten uit te bouwen en/of van commentaar te voorzien. 
  6. Maak een schematische weergave van de argumenten van de auteur (voorbeeld van een argumentatieschema)
  7. Beoordeel de argumenten op hun deugdelijkheid. 
  8. Ga na of er sprake is van drogredenen (trucs of irrelevante argumenten). 
  9. Bedenk zo mogelijke nieuwe argumenten (vóór of tegen). 
  10. Trek eigen conclusies op basis van de feiten en argumenten en vergelijk die vervolgens met de conclusies van de auteurs. 

Bron: Twente Universiteit

Translate »
error: Content is protected !!
Chat openen
1
Begin met chatten ...